Roberto Formigoni. Onthoud die naam. Niet dat Roberto de definitieve opvolger van Valentino Rossi zal worden, dat zit er niet meer in. Hoeft ook niet. Roberto heeft al een carrière. Roberto Formigoni is president van de Italiaanse regio Lombardije. En in het kader van die functie heeft hij besloten dat het medio 2007 maar eens uit moet zijn met voertuigen die niet voldoen aan de EURO 0-norm. Die mogen in Lombardije niet meer op de weg komen.
Nou kan ik op mijn kaart van Noord-Italië (schaal 1: 400.000) niet precies zien hoe de grenzen van Lombardije lopen, maar Milaan ligt er zo’n beetje midden in. En in Milaan kan het inderdaad best wat minder, qua uitlaatgassen, dus ik begrijp die Roberto wel.
Maar wie voldoen er nou allemaal niet aan de EURO 0-norm? Oudere viertaktmotoren, inderdaad. Maar verder: alle tweetakten. Niet schoon te krijgen, die dingen, dus vooral geschikt voor de minder kieskeurige Aziatische markt. Ja, het is geen toeval dat de Cagiva Mito op de beurs in Milaan voor het eerst te zien was met een 500 cc viertaktblok van Husqvarna!
Betekent dit dan het definitieve begin van het einde van een stuk motorgeschiedenis? Lijkt er wel op. Ik heb in dat kader de foto’s van mijn eerste motor maar eens opgezocht. Yamaha RD 350. Blauw, luchtgekoeld, enkele schijf voor. Gekocht als een 250 met vijf versnellingen, later omgebouwd naar een 350 met zes versnellingen. Kwestie van andere zuigers en cilinders en een palletje van vijf gulden. Maar dat was pas nadat ik het rijbewijs er op had gehaald. Na drie maanden oefenvergunning.
Voor de jongeren onder ons: met een oefenvergunning en een L-plaatje op je motor mocht je maximaal drie maanden rijden zonder rijbewijs. Je moest de vergunning wel iedere maand verlengen bij het politiebureau en je mocht niet buiten de stadsgrenzen komen. Maar als je zoals ik in Amsterdam woonde, kon je toch flink wat afwisselende kilometers maken. Stukje centrum, stukje snelweg, stukje polder, stukje langs de Amstel. Voor een beetje kenner van de hoofdstad bleek Amsterdam een uitgelezen voorbereiding op het rijexamen.
Eén les heb ik genomen, om te weten hoe het was om zo’n man in een auto achter je te hebben. Zo ging dat toen nog. En dan moest je om de paar kilometer stoppen om te horen hoe de route verder ging. Zat ook nog een gemene truc aan vast. Dat die examinator bijvoorbeeld zei dat je na het stoplicht moest stoppen voor de volgende aanwijzingen. En dat daar dan net een stopverbod gold…
Maar toen het roze papiertje eenmaal binnen was, ging ik ook helemaal los op de RD. Eerst werd het een 350, vervolgens kwamen er Koni schokbrekers onder (verplichte kost in die tijd), bronzen bussen voor de ophanging van de achtervork (idem) en als banden een setje TT 100 van Dunlop. Origineel jaren zeventig plakrubber! Het toetje werd gevormd door een K&N luchtfilter en een paar echte J&R expansiepijpen, door een vriend meegenomen uit de Verenigde Staten.
Het heeft nog een dag gekost om daar de juiste maat sproeiers bij te vinden. Dat ging zo: je zette een hele bak sproeiers klaar, draaide op de gok een iets grotere maat dan standaard in de carburateurs en ging dan de snelweg op. Je reed een stukje volgas in de derde of vierde versnelling, trok vervolgens de koppeling in en zette tegelijkertijd de motor af. Op de vluchtstrook draaide je dan de bougies er uit om te kijken of ze de juiste kleur hadden. Koffie-met-melk, als ik me goed herinner. Als dat niet zo was, reed je voorzichtig terug om het met een sproeiermaatje groter (te licht) of kleiner (te donker) opnieuw te proberen. Was dit eenmaal gelukt dan moest je nog een beetje vogelen met de gasnaalden om de gasrespons acceptabel te krijgen. En op vakantie natuurlijk altijd een maatje grotere sproeiers er in draaien, want het is niet de bedoeling dat je in Zuid-Italië bij 35 graden Celsius met een gat in je zuiger komt te staan.
Brengt me weer bij Italië en bij Roberto. Lombardije zou ik met mijn RD 350 van toen dus niet meer door komen. Gaat ook niet meer lukken. Het RD-tje is na drie jaar trouwe dienst (en heftig misbruik) gesneuveld in een bocht bij Abcoude. De gebutste en gedeukte resten heb ik verkocht en vier maanden later reed ik op mijn eerste viertakt. Beter, sneller, moderner. Maar zonder die heerlijke, spannende geur van tweetaktolie. Dat gaan we missen.
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 1/2007
maandag 22 maart 2010
zondag 14 maart 2010
Foto van een blonde knieholte
Ik was er ook! Op de EICMA in Milaan, een paar weken geleden. Natuurlijk hadden we al het motornieuws achteraf in MotoPlus kunnen lezen. Maar geïnspireerd door de glorieverhalen vorig jaar hadden de motormaat en ik ons voorgenomen de Salone di Milano persoonlijk te gaan bekijken. Een goedkope vliegretour Eindhoven-Bergamo (90 euro!) was zo geregeld en een goede vriend wilde zijn appartement in Milaan graag twee nachten aan ons afstaan, in ruil voor een fles wijn. Metro lijn 1 ging om de hoek, kaartje kopen en dan regelrecht naar station Rho-Fiera, midden op de beurs.
Zo stonden we zaterdagochtend om tien uur al aan de deuren van het beurscomplex te rammelen. Samen met nog ongeveer twee miljoen andere motorliefhebbers. Want snotverju, wat is dit een grote beurs. En wat zijn veel Italianen dol op motoren en alles wat ermee te maken heeft. Denk je de Jaarbeurs in en dan ongeveer zes keer zo groot, gevuld met ongeveer tien keer zoveel mensen. Vooral mannen. Die allemaal tegelijk die prettige blonde mevrouw met die eindeloze benen, gezeten op de nieuwe Kawasaki Z 750, willen fotograferen. Of een van haar tweelingzussen, gedrapeerd op de New Dink van Kymco, alleen door de naam al een potentiële verkooptopper.
Het zijn van die momenten waarop het je verbaast dat Italië tegenwoordig het land met het laagste kinderaantal per gezin is. Aan het enthousiasme van de mannen kan het niet liggen! Maar misschien dat Italiaanse mevrouwen, als zij ’s avonds moe thuiskomen van de hele dag op een motor zitten en glimlachen, liever een voetmassage hebben dan pasta voor de kinderen koken.
Wat zo’n Italiaanse beurs verder nog bijzonder maakt? Naast de luxe dat je je iedere vijftig meter kunt laven aan een heerlijk kopje vers gezette espresso, is er vooral het enthousiasme voor het thuisprodukt. In de stand van Ducati kon je over de hoofden lopen. Er stonden bewakers bij de motorfietsen om de vervaarlijk oprukkende Ducatisti weg te houden van 1098. En als je een foto wilde maken van de Hypermotard 1100 ging dat ongeveer zo: “Als jij nou je elleboog uit mijn linkeroor haalt, kan ik mijn rechtervoet weer op de grond neerzetten en waarschijnlijk via de oksel van die man links voor me de camera op de schouder van dat meisje leggen. En meneer, kunt u dan even afdrukken?” Zoveel mensen! Maar erg behulpzaam. Ik beschik nu over twee haarscherpe foto’s van een achterwiel en één van een blonde knieholte.
Hetzelfde tafereel speelde zich ook af bij Aprilia en bij Bimota, hoewel je daar ook veel mensen zachtjes huilend aantrof. Ah, Bimota, wat een kunstwerkjes, bellissimo!
Als de menselijke en motorische schoonheden binnen je allemaal teveel werden, was er ook nog het buitengebeuren. Op deze dag niet zo aantrekkelijk omdat het behoorlijk regende. Verder heb ik er een neus voor om precies het verkeerde moment te kiezen. Inderdaad, wanneer de show net afgelopen is.
Bleef het kinderparcours. En daar heb ik bijna een uur gestaan. Ongeëvenaard hoogtepunt van de beurs! Op een ovaaltje tussen strobalen mochten kinderen tussen de pakweg zes en tien jaar op elektrische modelmotorfietsjes en auto’s rondjes rijden. Sommige mét en anderen zonder zijwieltjes. En dan denk je misschien: “Leuk toch die kinderen, die zullen ongetwijfeld aardig met elkaar spelen. Dan zul je zien, dat voorrang geven eigenlijk een heel natuurlijke zaak is”. Fout, helemaal fout! Ik heb in Milaan met eigen ogen kunnen vaststellen dat al het latere rijgedrag reeds in de vroege jeugd, ruim tien jaar vóór het rijbewijs, volledig in de persoonlijkheid verankerd is.
De pompend gasgevende vrouw? Een zevenjarige met gebreide wantjes. De aso die vindt dat iedereen voor hem opzij moet gaan? Achtenhalf en nu al hopeloos verloren. De wijfelaar die naar links neigt en toch naar rechts gaat? Natuurtalentje met snottebel. De wraaknemer met de middelvinger? Net zes geworden was hij nu al blonde vlechtjes aan het pesten. Verder had je nog de brokkenmaker, vermoed ik dat een van de achtjarigen te vaak in het wijnglas van zijn vader keek en heb ik moeten vaststellen dat remmen niet in onze genetische informatie is opgeslagen. Kinderen remmen niet. Dus vonden er om de twee rondjes interessante kop-staart-botsingen plaats. Bij vijf kilometer per uur, de A2 in mini-formaat.
Met zijn twee miljoenen of daaromtrent verlieten we aan het eind van de dag het beurscomplex. Sjokkend, want moede benen. Veel kilometers gemaakt. Maar wat een feest, volgend jaar weer!
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 22/2006.
Zo stonden we zaterdagochtend om tien uur al aan de deuren van het beurscomplex te rammelen. Samen met nog ongeveer twee miljoen andere motorliefhebbers. Want snotverju, wat is dit een grote beurs. En wat zijn veel Italianen dol op motoren en alles wat ermee te maken heeft. Denk je de Jaarbeurs in en dan ongeveer zes keer zo groot, gevuld met ongeveer tien keer zoveel mensen. Vooral mannen. Die allemaal tegelijk die prettige blonde mevrouw met die eindeloze benen, gezeten op de nieuwe Kawasaki Z 750, willen fotograferen. Of een van haar tweelingzussen, gedrapeerd op de New Dink van Kymco, alleen door de naam al een potentiële verkooptopper.
Het zijn van die momenten waarop het je verbaast dat Italië tegenwoordig het land met het laagste kinderaantal per gezin is. Aan het enthousiasme van de mannen kan het niet liggen! Maar misschien dat Italiaanse mevrouwen, als zij ’s avonds moe thuiskomen van de hele dag op een motor zitten en glimlachen, liever een voetmassage hebben dan pasta voor de kinderen koken.
Wat zo’n Italiaanse beurs verder nog bijzonder maakt? Naast de luxe dat je je iedere vijftig meter kunt laven aan een heerlijk kopje vers gezette espresso, is er vooral het enthousiasme voor het thuisprodukt. In de stand van Ducati kon je over de hoofden lopen. Er stonden bewakers bij de motorfietsen om de vervaarlijk oprukkende Ducatisti weg te houden van 1098. En als je een foto wilde maken van de Hypermotard 1100 ging dat ongeveer zo: “Als jij nou je elleboog uit mijn linkeroor haalt, kan ik mijn rechtervoet weer op de grond neerzetten en waarschijnlijk via de oksel van die man links voor me de camera op de schouder van dat meisje leggen. En meneer, kunt u dan even afdrukken?” Zoveel mensen! Maar erg behulpzaam. Ik beschik nu over twee haarscherpe foto’s van een achterwiel en één van een blonde knieholte.
Hetzelfde tafereel speelde zich ook af bij Aprilia en bij Bimota, hoewel je daar ook veel mensen zachtjes huilend aantrof. Ah, Bimota, wat een kunstwerkjes, bellissimo!
Als de menselijke en motorische schoonheden binnen je allemaal teveel werden, was er ook nog het buitengebeuren. Op deze dag niet zo aantrekkelijk omdat het behoorlijk regende. Verder heb ik er een neus voor om precies het verkeerde moment te kiezen. Inderdaad, wanneer de show net afgelopen is.
Bleef het kinderparcours. En daar heb ik bijna een uur gestaan. Ongeëvenaard hoogtepunt van de beurs! Op een ovaaltje tussen strobalen mochten kinderen tussen de pakweg zes en tien jaar op elektrische modelmotorfietsjes en auto’s rondjes rijden. Sommige mét en anderen zonder zijwieltjes. En dan denk je misschien: “Leuk toch die kinderen, die zullen ongetwijfeld aardig met elkaar spelen. Dan zul je zien, dat voorrang geven eigenlijk een heel natuurlijke zaak is”. Fout, helemaal fout! Ik heb in Milaan met eigen ogen kunnen vaststellen dat al het latere rijgedrag reeds in de vroege jeugd, ruim tien jaar vóór het rijbewijs, volledig in de persoonlijkheid verankerd is.
De pompend gasgevende vrouw? Een zevenjarige met gebreide wantjes. De aso die vindt dat iedereen voor hem opzij moet gaan? Achtenhalf en nu al hopeloos verloren. De wijfelaar die naar links neigt en toch naar rechts gaat? Natuurtalentje met snottebel. De wraaknemer met de middelvinger? Net zes geworden was hij nu al blonde vlechtjes aan het pesten. Verder had je nog de brokkenmaker, vermoed ik dat een van de achtjarigen te vaak in het wijnglas van zijn vader keek en heb ik moeten vaststellen dat remmen niet in onze genetische informatie is opgeslagen. Kinderen remmen niet. Dus vonden er om de twee rondjes interessante kop-staart-botsingen plaats. Bij vijf kilometer per uur, de A2 in mini-formaat.
Met zijn twee miljoenen of daaromtrent verlieten we aan het eind van de dag het beurscomplex. Sjokkend, want moede benen. Veel kilometers gemaakt. Maar wat een feest, volgend jaar weer!
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 22/2006.
woensdag 10 maart 2010
Amateur test band
Waarom kosten banden bij de gewone motorzaak bijna het dubbele van de prijs die je ervoor betaalt bij een bandenbedrijf? Op deze vraag heb ik ook na de drie setjes rubber van afgelopen jaar nog steeds geen sluitend antwoord gekregen. Dus blijf ik gevangen in een wat onhandige spagaat. Enerzijds gun ik mijn dealer zijn winst en wil ik onze prettige relatie niet verstoren. Anderzijds weet ik dat ik bij het bandenhuis, of door te bestellen via het internet, op jaarbasis honderden euro’s kan besparen. Mits die handige kennis met dat bandenapparaat tijd heeft voor de montage, natuurlijk.
Gelukkig heb ik nu ook een derde manier ontdekt: de gecombineerde bandentest-circuitdag. Met enige regelmaat worden die door bandenfabrikanten en importeurs uitgeschreven. Voor een zacht prijsje krijg je een set nieuwe banden én mag je een dag rondrijden op een circuit. Voor dit pakket betaal je veel minder dan wat je bij je vriendelijke dealer voor het rubber alleen zou neertellen. En als het meezit krijg je er nog eten en een goochelaar bij ook!
Is mij deze zomer nog gebeurd, in Duitsland, bij de firma Continental op het Contidrom bij Hannover. Het Contidrom (zo af en toe zie ik het in dit blad wel eens op foto’s bij een testverhaal opduiken) is de testbaan van Continental. Daar testen ze banden, ABS systemen en nog veel meer dingen die me in het Duits verteld zijn en die mijn vertaling niet overleefd hebben.
Er is een natte baan, er is een droog circuit, er zijn stukken slecht asfalt, er zijn kinderkopjes en versleten keitjes en er is natuurlijk onvervalste Duitse Bitumenflickerei. Dat zijn van die scheuren in het asfalt die gerepareerd worden door er teer in te gieten. Ziet er best aardig uit, tot de zon er op schijnt, want dan wordt de teer weer zacht. Of nog erger, tot het gaat regenen, want dan heeft de teer een glijfactor waar IJsstadion Thialf jaloers op zou zijn. Om al deze wegdeksoorten heen loopt een onvervalste kombaan, waarvan het nut is dat het eigenlijk een eindeloze rechte weg is, maar dan een waarvoor je niet zoveel ruimte nodig hebt. Daar kun je dus duurtesten op doen, vooropgesteld dat je wel harder dan honderdtachtig rijdt, want anders val je naar beneden. En dat je de voorspanning en de demping flink opschroeft, want anders schuift je middenbok in de kom voortdurend over het wegdek.
Op de natte en de droge baan mochten we in augustus een dag lang spelen, met begeleiding van Continental en de firma Wunderlich. Inclusief set Sport Attack, diner met goochelaar en hotelovernachting en barbecue toe, voor net aan 300 euro! Gewoon ingeschreven via het internet, je hoefde niet eens klant te zijn. Hoe dat dan weer economisch zoden aan de dijk zet, daar ben ik nog niet achter.
En was het wat, de Sport Attack? (Mochten er nu erg rare zinnen komen, dan heeft de heer Bulsink, hoofdredacteur van MotoPlus, waarschijnlijk in mijn tekst zitten schrappen, iets mompelend over “amateurtesters”). Laat ik het zo zeggen, mijn liefde voor de Michelin Pilot Power is er niet door aan het wankelen gebracht. Op een droge weg is de Sport Attack helemaal fijn, op een natte weg een stuk minder en na 2900 kilometer is hij op! Schoon op! Geen micrometer profiel meer te zien. ’s Morgens denk je: “zo'n duizend kilometer redt hij nog wel”. Om ’s middags te ontdekken dat het laatste laagje profiel van een compound is gemaakt, die oplost als je hem te lang in de zon laat staan.
Vervelend was dat ik dat pas ontdekte toen ik aan het dagje testen in Duitsland nog een weekje Frankrijk had geknoopt. Op de terugweg, op maandagochtend. En denk maar niet dat er op maandag ergens in Frankrijk een motorband te krijgen is. Dus moest ik doorrijden naar Luxemburg, natuurlijk in de stromende regen, en bij iedere tankstop kijken of er al metaal door het rubber heen begon te schemeren. Dat moet ik die Conti dan wel weer nageven: dat hij ook zonder profiel, terwijl ik allang op het karkasrubber zat, op de snelweg nog best redelijk aanvoelde. Maar na demontage in Luxemburg kon ik het loopvlak zo met één vinger indrukken, dus veel langer had het niet moeten duren. Bij de Luxemburgse dealer moest ik voor de nieuwe Pilot Power overigens wel de volledige catalogusprijs betalen, toch ook bijna 300 euro. Ik wilde nog zeggen: weet u wel dat je voor dat geld een goochelaar, een diner én een set banden kunt krijgen? Kijkend naar mijn doorschijnend versleten Conti besloot ik om dát toch maar niet te doen.
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 20/2010
Gelukkig heb ik nu ook een derde manier ontdekt: de gecombineerde bandentest-circuitdag. Met enige regelmaat worden die door bandenfabrikanten en importeurs uitgeschreven. Voor een zacht prijsje krijg je een set nieuwe banden én mag je een dag rondrijden op een circuit. Voor dit pakket betaal je veel minder dan wat je bij je vriendelijke dealer voor het rubber alleen zou neertellen. En als het meezit krijg je er nog eten en een goochelaar bij ook!
Is mij deze zomer nog gebeurd, in Duitsland, bij de firma Continental op het Contidrom bij Hannover. Het Contidrom (zo af en toe zie ik het in dit blad wel eens op foto’s bij een testverhaal opduiken) is de testbaan van Continental. Daar testen ze banden, ABS systemen en nog veel meer dingen die me in het Duits verteld zijn en die mijn vertaling niet overleefd hebben.
Er is een natte baan, er is een droog circuit, er zijn stukken slecht asfalt, er zijn kinderkopjes en versleten keitjes en er is natuurlijk onvervalste Duitse Bitumenflickerei. Dat zijn van die scheuren in het asfalt die gerepareerd worden door er teer in te gieten. Ziet er best aardig uit, tot de zon er op schijnt, want dan wordt de teer weer zacht. Of nog erger, tot het gaat regenen, want dan heeft de teer een glijfactor waar IJsstadion Thialf jaloers op zou zijn. Om al deze wegdeksoorten heen loopt een onvervalste kombaan, waarvan het nut is dat het eigenlijk een eindeloze rechte weg is, maar dan een waarvoor je niet zoveel ruimte nodig hebt. Daar kun je dus duurtesten op doen, vooropgesteld dat je wel harder dan honderdtachtig rijdt, want anders val je naar beneden. En dat je de voorspanning en de demping flink opschroeft, want anders schuift je middenbok in de kom voortdurend over het wegdek.
Op de natte en de droge baan mochten we in augustus een dag lang spelen, met begeleiding van Continental en de firma Wunderlich. Inclusief set Sport Attack, diner met goochelaar en hotelovernachting en barbecue toe, voor net aan 300 euro! Gewoon ingeschreven via het internet, je hoefde niet eens klant te zijn. Hoe dat dan weer economisch zoden aan de dijk zet, daar ben ik nog niet achter.
En was het wat, de Sport Attack? (Mochten er nu erg rare zinnen komen, dan heeft de heer Bulsink, hoofdredacteur van MotoPlus, waarschijnlijk in mijn tekst zitten schrappen, iets mompelend over “amateurtesters”). Laat ik het zo zeggen, mijn liefde voor de Michelin Pilot Power is er niet door aan het wankelen gebracht. Op een droge weg is de Sport Attack helemaal fijn, op een natte weg een stuk minder en na 2900 kilometer is hij op! Schoon op! Geen micrometer profiel meer te zien. ’s Morgens denk je: “zo'n duizend kilometer redt hij nog wel”. Om ’s middags te ontdekken dat het laatste laagje profiel van een compound is gemaakt, die oplost als je hem te lang in de zon laat staan.
Vervelend was dat ik dat pas ontdekte toen ik aan het dagje testen in Duitsland nog een weekje Frankrijk had geknoopt. Op de terugweg, op maandagochtend. En denk maar niet dat er op maandag ergens in Frankrijk een motorband te krijgen is. Dus moest ik doorrijden naar Luxemburg, natuurlijk in de stromende regen, en bij iedere tankstop kijken of er al metaal door het rubber heen begon te schemeren. Dat moet ik die Conti dan wel weer nageven: dat hij ook zonder profiel, terwijl ik allang op het karkasrubber zat, op de snelweg nog best redelijk aanvoelde. Maar na demontage in Luxemburg kon ik het loopvlak zo met één vinger indrukken, dus veel langer had het niet moeten duren. Bij de Luxemburgse dealer moest ik voor de nieuwe Pilot Power overigens wel de volledige catalogusprijs betalen, toch ook bijna 300 euro. Ik wilde nog zeggen: weet u wel dat je voor dat geld een goochelaar, een diner én een set banden kunt krijgen? Kijkend naar mijn doorschijnend versleten Conti besloot ik om dát toch maar niet te doen.
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 20/2010
donderdag 4 maart 2010
Bij papa achterop
Bonk. Ik voel een helm maat XS midden tegen mijn rug, het teken dat mijn zoon achterop in slaap valt. Hij is acht jaar, vindt het prachtig op de motor, maar na een uurtje rijden dut hij in. Ik stop. In de tanktas zit een noodrantsoen voor deze gelegenheden, bestaande uit een sultana en een pakje sap. Of we besluiten dat het tijd is voor een ijsje en gaan op zoek naar de lokale ijsboer. Sinds hij met zijn voeten bij de stepjes kan, gaan we vaak samen een stuk rijden. Altijd ergens heen. Naar het VOC-schip in Lelystad, de Lucky Luke-tentoonstelling in Hoorn, het TV-toys museum in Dieren. Een ritje heen, een bezoek en een ritje terug, onderbroken door sultana of ijsje.
Hij is apetrots op zijn speciaal aangeschafte helm, het leren jasje, de door z’n moeder verbouwde oude leren broek van papa en de échte motorlaarzen, uit een restantenbak op de motorbeurs. Maat 36. Op dit paar zullen in de jaren erna nog vier paar volgen, want die kindervoeten groeien snel. Ook breidt onze actieradius zich uit, tot de traditie ontstaat van een heuse vader-zoon motorvakantie. Samen een week op stap. Inmiddels wel met topkoffer. Lekker als steun in de rug. En een veilig gevoel, mocht hij zijn dutje eens in achterwaartse richting beginnen.
Vanaf de eerste rit is hij helemaal vrij achterop. Heeft een blind vertrouwen in mijn rijkunst, zoals alleen kinderen dat kunnen hebben. Aan zijn schaduw kan ik zien dat hij zit te spelen onderweg. Ik voel zijn armen soms druk bewegen en ik hoor hem met allerlei verschillende stemmetjes praten en zingen. Hele toneelstukken spelen zich af achter mijn rug, maar het is niet de bedoeling dat ik naar de inhoud vraag. “Ach, gewoon, ik fantaseer maar wat”.
We gaan ’s zomers met de motor naar Zuid-Engeland, bekijken Loire-kastelen, gaan naar het Lake District en bezoeken whiskystokerijen in Schotland. De laatste twee bestemmingen zijn favoriet door de bootreis er naartoe. Binnen een half uur zijn we in IJmuiden en dan begint de vakantie al! Een boot als een groot hotel, met lekker eten en een bioscoop aan boord. En ’s morgens rij je na het ontbijt het grote historische themapark binnen, dat wij kennen als Groot-Brittanië. Samen staren we (onder het genot van een ijsje) naar het oppervlak van Loch Ness. Helaas, het monster slaapt. Of is boodschappen doen. We ontdekken in zijn geboortehuis een geheel aan Stan Laurel gewijd privémuseum. En zien op foto’s dat Stan op dezelfde boot naar Amerika vertrok als Charlie Chaplin. Ze kenden elkaar nog niet en de wereld kende hen ook nog niet. Natuurlijk vertrek ik na de lunch een keer aan de rechterkant van de weg. Na lichtsignalen, de schrik en de zwiep naar links besluiten we dat hij links-wegrijden-controleur wordt. Vanzelfsprekend een serieuze taak. Als ik als grap (toegegeven, slappe vaderhumor) op een stille weg expres rechts wegrijdt, wordt mijn linkerschouder zowat blauw gebeukt. “Naar links, papa”, klinkt het boos van achteren. “Opletten!”
Met de groter wordende laarzen komen ook nieuwe jassen en broeken. Wederom met dank aan de motorbeurs in Utrecht. Heel even is er de korte periode dat hij in mijn spullen past. Maar goede voeding en veel sport eisen hun tol en hij scheurt mijn broek- en schoenmaat voorbij, op weg naar voeten maat 45 bij een lengte van 1 meter 90. Met die groei verandert ook het gedrag achterop. De toneelstukjes verdwijnen. Hij blijft langer wakker, hij wil weten hoe hard we gaan. En of het niet harder kan. Inhalen moeten we. Ons gezamenlijke gloriemoment komt als we in de Eifel een groep Fireblades en SP-1’en inhalen. Met zijn tweeën op een BMW-boxer, met koffers! Watjes!
Een jaar of tien heeft de achterop-periode geduurd. Nu is hij negentien en studeert sinds kort in Maastricht. Tweehonderd kilometer verderop, dus de zondagmiddag heb ik weer aan mezelf. Nou was samen een stukje rijden de laatste twee jaar toch al van het repertoire verdwenen. Als zestienplus puber heb je op zondagmiddag andere dingen te doen. Basketballen met het team, uitslapen van de vermoeienissen van zaterdagavond of je vriendinnetje natuurlijk. Dus de topkoffer hoeft niet meer en de motorlaarzen maat 45 verstoffen achter in de kast. Maar ze mogen niet weg, want we gaan vast nog wel eens een stukje rijden, vertrouwt hij me bij z’n verhuizing naar het zuiden toe. Onderweg een ijsje eten, of we nemen in de tanktas spullen mee voor een picknick met zijn tweeën. Vond hij ook altijd zo leuk, zegt hij. En zo valt mijn motorleven samen met zijn goede jeugdherinneringen. “Die neem je mee zo lang je verder leeft…”
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 18/2006
Hij is apetrots op zijn speciaal aangeschafte helm, het leren jasje, de door z’n moeder verbouwde oude leren broek van papa en de échte motorlaarzen, uit een restantenbak op de motorbeurs. Maat 36. Op dit paar zullen in de jaren erna nog vier paar volgen, want die kindervoeten groeien snel. Ook breidt onze actieradius zich uit, tot de traditie ontstaat van een heuse vader-zoon motorvakantie. Samen een week op stap. Inmiddels wel met topkoffer. Lekker als steun in de rug. En een veilig gevoel, mocht hij zijn dutje eens in achterwaartse richting beginnen.
Vanaf de eerste rit is hij helemaal vrij achterop. Heeft een blind vertrouwen in mijn rijkunst, zoals alleen kinderen dat kunnen hebben. Aan zijn schaduw kan ik zien dat hij zit te spelen onderweg. Ik voel zijn armen soms druk bewegen en ik hoor hem met allerlei verschillende stemmetjes praten en zingen. Hele toneelstukken spelen zich af achter mijn rug, maar het is niet de bedoeling dat ik naar de inhoud vraag. “Ach, gewoon, ik fantaseer maar wat”.
We gaan ’s zomers met de motor naar Zuid-Engeland, bekijken Loire-kastelen, gaan naar het Lake District en bezoeken whiskystokerijen in Schotland. De laatste twee bestemmingen zijn favoriet door de bootreis er naartoe. Binnen een half uur zijn we in IJmuiden en dan begint de vakantie al! Een boot als een groot hotel, met lekker eten en een bioscoop aan boord. En ’s morgens rij je na het ontbijt het grote historische themapark binnen, dat wij kennen als Groot-Brittanië. Samen staren we (onder het genot van een ijsje) naar het oppervlak van Loch Ness. Helaas, het monster slaapt. Of is boodschappen doen. We ontdekken in zijn geboortehuis een geheel aan Stan Laurel gewijd privémuseum. En zien op foto’s dat Stan op dezelfde boot naar Amerika vertrok als Charlie Chaplin. Ze kenden elkaar nog niet en de wereld kende hen ook nog niet. Natuurlijk vertrek ik na de lunch een keer aan de rechterkant van de weg. Na lichtsignalen, de schrik en de zwiep naar links besluiten we dat hij links-wegrijden-controleur wordt. Vanzelfsprekend een serieuze taak. Als ik als grap (toegegeven, slappe vaderhumor) op een stille weg expres rechts wegrijdt, wordt mijn linkerschouder zowat blauw gebeukt. “Naar links, papa”, klinkt het boos van achteren. “Opletten!”
Met de groter wordende laarzen komen ook nieuwe jassen en broeken. Wederom met dank aan de motorbeurs in Utrecht. Heel even is er de korte periode dat hij in mijn spullen past. Maar goede voeding en veel sport eisen hun tol en hij scheurt mijn broek- en schoenmaat voorbij, op weg naar voeten maat 45 bij een lengte van 1 meter 90. Met die groei verandert ook het gedrag achterop. De toneelstukjes verdwijnen. Hij blijft langer wakker, hij wil weten hoe hard we gaan. En of het niet harder kan. Inhalen moeten we. Ons gezamenlijke gloriemoment komt als we in de Eifel een groep Fireblades en SP-1’en inhalen. Met zijn tweeën op een BMW-boxer, met koffers! Watjes!
Een jaar of tien heeft de achterop-periode geduurd. Nu is hij negentien en studeert sinds kort in Maastricht. Tweehonderd kilometer verderop, dus de zondagmiddag heb ik weer aan mezelf. Nou was samen een stukje rijden de laatste twee jaar toch al van het repertoire verdwenen. Als zestienplus puber heb je op zondagmiddag andere dingen te doen. Basketballen met het team, uitslapen van de vermoeienissen van zaterdagavond of je vriendinnetje natuurlijk. Dus de topkoffer hoeft niet meer en de motorlaarzen maat 45 verstoffen achter in de kast. Maar ze mogen niet weg, want we gaan vast nog wel eens een stukje rijden, vertrouwt hij me bij z’n verhuizing naar het zuiden toe. Onderweg een ijsje eten, of we nemen in de tanktas spullen mee voor een picknick met zijn tweeën. Vond hij ook altijd zo leuk, zegt hij. En zo valt mijn motorleven samen met zijn goede jeugdherinneringen. “Die neem je mee zo lang je verder leeft…”
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 18/2006
Abonneren op:
Posts (Atom)
