zaterdag 8 mei 2010

Pret met een exoskelet

Opeens begon het te steken, dat zinnetje onder mijn foto in de MotoPlus. Dat slappe “ik wil ooit nog eens een knietje aan de grond rijden”. Niks willen, doen! Dit jaar moet het gebeuren. Onder deskundige leiding, dat wel. Het is niet de bedoeling dat ik het vege lijf de eerste de beste polderweg af katapulteer. Dus zal ik me vanaf nu wat vaker op een circuit vertonen om mij te laten bijscholen in de fijnere kneepjes van het Bayliss-gevoel.

Daar zijn spullen voor nodig, onder andere een leren pak. Nu heb ik al een leren pak, dertig jaar geleden gekregen van mijn oma, die van haar AOW toch altijd genoeg wist te sparen om haar kleinkinderen heel erg te verwennen. Oma vond dat motorrijden maar een gevaarlijke bedoening en daar had ze natuurlijk helemaal gelijk in. Net zoals haar hele generatie had oma trouwens altijd gelijk. Mocht ik daaraan twijfelen, dan maakte ze aan iedere discussie een eind door te stellen dat zij de oorlog had meegemaakt en dat ik maar een snotneus was die net kwam kijken. Onweerlegbare logica.

Omdat ik het pak lang niet had aangehad (ik schat ongeveer zevenentwintig jaar) duurde het even voor ik het gevonden had, onder in de stapel “diverse motorkleding”. Ik kwam spullen tegen, waarvan ik allang vergeten was dat ik ze ooit gekocht had! Echte Belstaff-overschoenen van zeildoek die je in de oven moet opwarmen en dan met parafine waterdicht impregneren, waar zie je die bijvoorbeeld nog?
Eenmaal gevonden bleek het pak (Euroleathers, destijds voor rond de zeshonderd gulden gekocht bij de Leertent in Amsterdam) niet geheel meer aan moderne eisen te voldoen. Protectie zit er bijvoorbeeld niet in. Niks-nop-helemaal niet. Er zitten dubbel lagen leer op schouders, billen, ellebogen en knieën, en daar moet je het mee doen. Maar dat was niet het grootste probleem. Het pak is namelijk gekrompen en niet zo’n beetje ook! Tussen beide helften van de rits van het jasje gaapt nu een kloof van om en nabij de vijftien centimeter. Ook heel heftig adem inhouden brengt de ritshelften geen millimeter dichter bij elkaar.

Het moest dus een nieuw pak worden. Eerst wat rondgekeken op het Internet en in mijn stapel motorbladen om mezelf op de hoogte te brengen van eisen en kosten en toen… Op naar de Motorbeurs Utrecht! Op zondag, want door omstandigheden kon ik niet op een andere dag. Jullie trouwens ook niet, collega-motorrijders, want volgens mijn telling waren jullie er allemaal, die zondag. Gezellig, maar beredruk! Gelukkig was ik vroeg begonnen met mijn zoektocht naar het ideale pak. Rond half elf stond ik al voor het eerst midden op de beurs in mijn onderbroek. Voorafgaand had ik Patrick, de vriendelijke verkoper, op de hoogte gebracht van mijn eisen betreffende het pak. Veel protectie moest het hebben, zo’n Quasimodo-bult mocht, maar hoefde niet en mijn rugprotector moest er goed onder passen. Verder wilde ik een tweedeler, met stretch in kruis en onder de oksels en moest de rits die beide delen met elkaar verbond, aan het leer vastzitten.
Dat laatste elimineerde al die leuke combinaties van “dan doen we een losse broek met een leuk jack erbij”. Daar blijken de ritsen namelijk aan de voering vast te zitten en dan kun je net zo goed in je t-shirt het circuit op.

Het passen begon. En het zweten ook. Snotverju, dit is nog eens andere koek dan een overhemd kopen. Nu begreep ik hoe een kreeft zich moet voelen in zijn exoskelet. En ineens had ik een diep inzicht in de geestelijke wereld van Robocop. “Het went”, zei Patrick en we gingen een motor zoeken om de pasvorm in actie te testen. Dus heb je die zondagochtend op de beurs iemand in een zilverkleurig leren pak, op sokken, naast en van een stilstaande Honda zien hangen, dan was ik het.

Na een imaginair rondje Cartagena begon het pak inderdaad te wennen. Het geeft wel een veilig gevoel, het idee dat al je organen, vitale én edele delen stevig verpakt zitten in een strakke leren zak met hardplastic glij-ijzers. De koop werd gesloten. Later die dag bedacht ik me dat een regenoveral ook wel handig zou zijn. Nou waren die gelukkig overal te koop, voor weinig. Thuis gekomen trok ik het pak nog even aan en probeerde ik ook de regenoverall er overheen te krijgen. Dat blijkt ongeveer net zo’n grote uitdaging als het knietje aan de grond krijgen. Wat een worsteling! Het zou best nog wel eens spannend kunnen worden wat me dit jaar het eerst gaat lukken. Maar hou in ieder geval het tekstje onder mijn foto in de gaten…

Deze column verscheen eerder in MotoPlus 7/2007. Beide knieën hebben intussen veelvuldig het asfalt getoucheerd. Gelukkig niet gelijktijdig.

zondag 18 april 2010

Waterschade

Heb je die foto gezien, op de voorpagina van de krant, vlak na de grote januaristorm? Drie mannen duwen een gloednieuwe BMW R1200RT het strand op. Kleur Biarritzblau metallic (heb ik opgezocht). Op de achtergrond zie je een aangespoelde container met een aantal metalen tonnen ervoor. Verder ligt het strand vol met onduidelijke rommel. Het blijkt om de Engelse zuidkust te gaan en de tonnen bevatten mogelijk chemicaliën dan wel gezichtscrème. In het laatste geval moet het minimaal om gezinsverpakkingen gaan.

Maar al mijn aandacht ging natuurlijk uit naar de motor. Hij was op weg naar Zuid-Afrika, met de MSC Napoli. Waarschijnlijk besteld door een lokale motorrijder die nog een tijdje tussen Biarritzblau en Titansilber heeft getwijfeld. Sandbeige, de derde variant volgens de BMW-site, is namelijk niet om aan te zien. Goede schutkleur als je in de Sahara woont, maar geen kleur waarmee je met goed fatsoen bij een Zuid-Afrikaans terrasje kunt afstappen.

Omdat BMW over een mooi produktie-volg-systeem beschikt, wist de toekomstige eigenaar waarschijnlijk precies wanneer zijn nieuwe motor van de band af rolde. Hij wist ook wanneer de fiets op transport richting Antwerpen werd gezet en wanneer hij op de MSC Napoli het ruime sop koos. En vanaf dat moment kon het niet lang meer duren. Dus poetste de toekomstige bezitter zijn inruilfiets nog eens op en maakte hij alvast een afspraak met de dealer, Speed Bike Klerksdorp (gevestigd aan de Voortrekkersroad te Klerksdorp, bestaat echt).

Maar ja, toen kwam dus die storm er tussen. De Napoli maakte met haar lading van 2400 containers slagzij en het schip werd tot nader order door de bergers op een zandbank gezet. Om erger te voorkomen. Wat ze niet konden voorkomen, was dat een aantal containers met zeker vijftig BMW’s er in overboord sloegen. En nu duwen drie Engelse jutters de motor van onze Zuid-Afrikaanse vriend het strand op. Troost is dat hij het waarschijnlijk niet weet, omdat deze foto in Zuid-Afrika de krant niet gehaald heeft. Niet zo verwonderlijk, ze hebben daar over het algemeen veel erger nieuws. En er wordt vast wel weer een nieuwe besteld, in Beieren.

De mannen die de aangespoelde BMW het strand op duwen, horen de kassa al rinkelen, dat zie je aan hun lachende gezichten. Maar voordat het zover is, kan er nog wel enige tijd overheen gaan. Ze moeten namelijk eerst contact opnemen met Sophia Exelby (telefoonnummer op aanvraag). Sophia is de officiële Receiver of Wreck. Dat klinkt als een tamelijk enge ziekte, maar het is de officiële titel van een overheidsambtenaar die ervoor moet zorgen dat de wettelijke eigenaar (bijvoorbeeld meneer B. te München) gelegenheid krijgt om zijn spullen weer op te halen. Ook zorgt zij dat de vinders schappelijk beloond worden voor hun moeite. In Nederland zou dat worden gedaan door een zogenaamde strandvonder. Als je wat vind op het Nederlandse strand word je door hem geregistreerd als vinder en kun je aanspraak maken op een vinderspremie van 10% van de bruto waarde, met een maximum van € 908 euro.

In Engeland zit er wat meer vrijheid aan het bedrag. Er kan onderhandeld worden. Aan Sophia Exelby dus de schone taak om een vertegenwoordiger van de eigenaar en de jutters samen te brengen én om vast te stellen wat een redelijk vindersloon is. Sophia dient volgens de Engelse wet trouwens ook gewaarschuwd te worden als ergens in Britse wateren een dode walvis drijft. Maar dat lijkt me meer een bijbaantje.
Totdat de eigenaar zich gemeld heeft, mogen de vinders de goederen overigens wel mee naar huis nemen. Dus dan staat er toch een tijdje een gloednieuwe motor in het schuurtje. Altijd leuk. En als de eigenaar niet binnen een jaar komt opdagen, maak je goede kans dat je (een deel van) de goederen mag houden. Maar ik verwacht dat de vertegenwoordigers van het Zuid-Duitse motorimperium het zo ver niet laten komen.
Dat zou de markt maar verpesten, nietwaar? Vijftig nieuwe motoren die ruim onder de prijs worden verkocht.

Ik zie de advertentie op eBay al voor me: “te koop BMW R1200RT, z.g.a.n., zonder papieren, nul kilometer mee gereden, altijd binnen gestaan, met lichte zoutwaterschade”. Meteen bieden toch?

Deze column verscheen eerder in MotoPlus 5/2007

dinsdag 6 april 2010

Vakantiekriebels

Al zin in vakantie? Het is er tijd voor. Net zoals in augustus de meeste winterjassen worden verkocht, worden in januari en februari de meeste zomervakanties geboekt. Het zal dan ook niemand verbazen dat in deze periode de motorreisgidsen op de mat ploffen en reisorganisaties hun vernieuwde sites aanprijzen.

In de afgelopen jaren heb ik heel wat trips solo of met vrienden gemaakt, maar ben ik ook regelmatig met een georganiseerde reis mee geweest. Hotels en routes geregeld, gegarandeerd aanspraak ’s avonds en een gevoel van veiligheid-in-de-groep. Hoewel het in geval van pech of nood natuurlijk altijd aankomt op je eigen reisverzekering of EHBO-kennis.

Maar hoe kies je met wie je mee gaat? Prijs is bij motorvakanties meestal niet de belangrijkste factor. De fiets moet een beurt hebben, er moeten verse banden onder en waarschijnlijk is dit een goed moment voor die nieuwe topkoffer. Met andere woorden: duur is het toch al, voordat je ook maar één meter gereden hebt. Dus laten we eens op internet bij een paar aanbieders kijken hoe ze zichzelf aanprijzen, met de vraag of je daardoor over de streep getrokken wordt.

Als eerste Horizon Motor Reizen (www.horizonmotorreizen.nl): overzichtelijke site, waarbij je op verschillende manier bij het reisaanbod kunt komen. Wat zeggen de Horizonners over zichzelf: “Horizon Motor Reizen organiseert motorvakanties voor motorrijders die eens iets anders willen. (..) Alleen of samen met uw partner gebieden ontdekken waar u normaal niet zult komen.” Maar dat is nog niet alles, want “tijdens al onze reizen zijn ontbijt en diner inbegrepen”. Kijk, en dat stelt me dan weer gerust. Niet dat ik had verwacht dat ik elke morgen zelf naar de bakker moest, maar toch… Even samengevat: anders, niet normaal én ontbijt!

Kijken we bij de KNMV (www.knmv.nl). Valt tegen. Een moeilijk toegankelijke site waar je pas via veel omwegen bij het reisaanbod terecht komt. De aanbeveling luidt “samen met motorrijders op pad. Reizen vóór motorrijders gemaakt dóór motorrijders. Mooie locaties in binnen en buitenland”. Tja, ik ging er ook niet van uit dat ze me langs industrieterreinen en raffinaderijen zouden leiden. En om je motorreizen door wandelaars te laten maken, is ook weer zo’n gedoe. Maar mocht je ooit een Nordic Walker met motorhelm op de linkerbaan aantreffen, dan is het waarschijnlijk een route-uitzettende KNMV-er.

Voort naar de Stichting En Route (www.st-enroute.nl), “een stichting zonder winstoogmerk, die zich al heel lang bezig houdt met het organiseren van compleet verzorgde internationale motorreizen. Alle reizen van En Route bieden veel kwaliteit voor een relatief lage prijs.” Ho, stop, een relatief lage prijs, die houden we er in. Moet ook kunnen als je geen winst wilt maken. En Route heeft echter nog meer te bieden: “onze voorkeur gaat uit naar het toeren over kleine, lokale wegen. (..) Er is altijd genoeg tijd om eens van je motor af te stappen en te genieten van de bezienswaardigheden langs de route, een kop koffie of een lekkere lunch”. Die je blijkbaar wel zelf moet betalen, ja, geen winst, dan ook geen gratis koffie!

Als laatste in dit beperkte, doch uiterst representatieve onderzoek That Motortours (www.that.nl). Mooie site, die veel enthousiasme uitstraalt. Bij That gaat het niet alleen om de catering, maar ook om de geestelijke groei. Ik citeer “een motorreis moet in alle opzichten een positieve ervaring zijn”. Even bekruipt me de angst dat iedere tourdag bij That wordt afgesloten met een therapeutisch kringgesprek, waarin je best even mag huilen: “Maarten, die tweede hairpin, heb je daar wel een goed gevoel over?”. Maar gelukkig vermeldt de site daar niets over. That-reizen worden grondig begeleid, staat er verder, door tourguides. “Zij beschikken over veel reiservaring, hebben een grote mate van verantwoordelijkheid- en veiligheidsgevoel en kennen meestal alle ins and outs van het reisgebied”. En dan schijnen ze ook nog hulpvaardig te zijn en gevoel voor humor te hebben. Dan wil ik alleen nog weten of ze kunnen koken en nekmassages geven, en of ze elke avond mijn motor aftanken. In dat geval heeft mijn huwelijk z’n langste tijd gehad. Doe mij maar zo’n tourguide! Nog romantische types ook. “Want”, zo sluit That af, “zij voeren je naar de mooiste plekjes”. Klinkt als je reinste motorextase.

Zo, keuze kunnen maken of ga je eerst bedenken waar je eigenlijk naartoe wil? Waarschijnlijk is dat de beste strategie, uiteindelijk is iedere trip op de motor een feestje. Veel plezier met reizen uitzoeken en alvast een fijne vakantie!

Deze column verscheen eerder in Motoplus 3/2007. Ongetwijfeld zijn de sites sindsdien waanzinnig veel verbeterd!

maandag 22 maart 2010

Tranen om de tweetakt

Roberto Formigoni. Onthoud die naam. Niet dat Roberto de definitieve opvolger van Valentino Rossi zal worden, dat zit er niet meer in. Hoeft ook niet. Roberto heeft al een carrière. Roberto Formigoni is president van de Italiaanse regio Lombardije. En in het kader van die functie heeft hij besloten dat het medio 2007 maar eens uit moet zijn met voertuigen die niet voldoen aan de EURO 0-norm. Die mogen in Lombardije niet meer op de weg komen.

Nou kan ik op mijn kaart van Noord-Italië (schaal 1: 400.000) niet precies zien hoe de grenzen van Lombardije lopen, maar Milaan ligt er zo’n beetje midden in. En in Milaan kan het inderdaad best wat minder, qua uitlaatgassen, dus ik begrijp die Roberto wel.
Maar wie voldoen er nou allemaal niet aan de EURO 0-norm? Oudere viertaktmotoren, inderdaad. Maar verder: alle tweetakten. Niet schoon te krijgen, die dingen, dus vooral geschikt voor de minder kieskeurige Aziatische markt. Ja, het is geen toeval dat de Cagiva Mito op de beurs in Milaan voor het eerst te zien was met een 500 cc viertaktblok van Husqvarna!

Betekent dit dan het definitieve begin van het einde van een stuk motorgeschiedenis? Lijkt er wel op. Ik heb in dat kader de foto’s van mijn eerste motor maar eens opgezocht. Yamaha RD 350. Blauw, luchtgekoeld, enkele schijf voor. Gekocht als een 250 met vijf versnellingen, later omgebouwd naar een 350 met zes versnellingen. Kwestie van andere zuigers en cilinders en een palletje van vijf gulden. Maar dat was pas nadat ik het rijbewijs er op had gehaald. Na drie maanden oefenvergunning.

Voor de jongeren onder ons: met een oefenvergunning en een L-plaatje op je motor mocht je maximaal drie maanden rijden zonder rijbewijs. Je moest de vergunning wel iedere maand verlengen bij het politiebureau en je mocht niet buiten de stadsgrenzen komen. Maar als je zoals ik in Amsterdam woonde, kon je toch flink wat afwisselende kilometers maken. Stukje centrum, stukje snelweg, stukje polder, stukje langs de Amstel. Voor een beetje kenner van de hoofdstad bleek Amsterdam een uitgelezen voorbereiding op het rijexamen.

Eén les heb ik genomen, om te weten hoe het was om zo’n man in een auto achter je te hebben. Zo ging dat toen nog. En dan moest je om de paar kilometer stoppen om te horen hoe de route verder ging. Zat ook nog een gemene truc aan vast. Dat die examinator bijvoorbeeld zei dat je na het stoplicht moest stoppen voor de volgende aanwijzingen. En dat daar dan net een stopverbod gold…
Maar toen het roze papiertje eenmaal binnen was, ging ik ook helemaal los op de RD. Eerst werd het een 350, vervolgens kwamen er Koni schokbrekers onder (verplichte kost in die tijd), bronzen bussen voor de ophanging van de achtervork (idem) en als banden een setje TT 100 van Dunlop. Origineel jaren zeventig plakrubber! Het toetje werd gevormd door een K&N luchtfilter en een paar echte J&R expansiepijpen, door een vriend meegenomen uit de Verenigde Staten.

Het heeft nog een dag gekost om daar de juiste maat sproeiers bij te vinden. Dat ging zo: je zette een hele bak sproeiers klaar, draaide op de gok een iets grotere maat dan standaard in de carburateurs en ging dan de snelweg op. Je reed een stukje volgas in de derde of vierde versnelling, trok vervolgens de koppeling in en zette tegelijkertijd de motor af. Op de vluchtstrook draaide je dan de bougies er uit om te kijken of ze de juiste kleur hadden. Koffie-met-melk, als ik me goed herinner. Als dat niet zo was, reed je voorzichtig terug om het met een sproeiermaatje groter (te licht) of kleiner (te donker) opnieuw te proberen. Was dit eenmaal gelukt dan moest je nog een beetje vogelen met de gasnaalden om de gasrespons acceptabel te krijgen. En op vakantie natuurlijk altijd een maatje grotere sproeiers er in draaien, want het is niet de bedoeling dat je in Zuid-Italië bij 35 graden Celsius met een gat in je zuiger komt te staan.

Brengt me weer bij Italië en bij Roberto. Lombardije zou ik met mijn RD 350 van toen dus niet meer door komen. Gaat ook niet meer lukken. Het RD-tje is na drie jaar trouwe dienst (en heftig misbruik) gesneuveld in een bocht bij Abcoude. De gebutste en gedeukte resten heb ik verkocht en vier maanden later reed ik op mijn eerste viertakt. Beter, sneller, moderner. Maar zonder die heerlijke, spannende geur van tweetaktolie. Dat gaan we missen.

Deze column verscheen eerder in MotoPlus 1/2007

zondag 14 maart 2010

Foto van een blonde knieholte

Ik was er ook! Op de EICMA in Milaan, een paar weken geleden. Natuurlijk hadden we al het motornieuws achteraf in MotoPlus kunnen lezen. Maar geïnspireerd door de glorieverhalen vorig jaar hadden de motormaat en ik ons voorgenomen de Salone di Milano persoonlijk te gaan bekijken. Een goedkope vliegretour Eindhoven-Bergamo (90 euro!) was zo geregeld en een goede vriend wilde zijn appartement in Milaan graag twee nachten aan ons afstaan, in ruil voor een fles wijn. Metro lijn 1 ging om de hoek, kaartje kopen en dan regelrecht naar station Rho-Fiera, midden op de beurs.

Zo stonden we zaterdagochtend om tien uur al aan de deuren van het beurscomplex te rammelen. Samen met nog ongeveer twee miljoen andere motorliefhebbers. Want snotverju, wat is dit een grote beurs. En wat zijn veel Italianen dol op motoren en alles wat ermee te maken heeft. Denk je de Jaarbeurs in en dan ongeveer zes keer zo groot, gevuld met ongeveer tien keer zoveel mensen. Vooral mannen. Die allemaal tegelijk die prettige blonde mevrouw met die eindeloze benen, gezeten op de nieuwe Kawasaki Z 750, willen fotograferen. Of een van haar tweelingzussen, gedrapeerd op de New Dink van Kymco, alleen door de naam al een potentiële verkooptopper.

Het zijn van die momenten waarop het je verbaast dat Italië tegenwoordig het land met het laagste kinderaantal per gezin is. Aan het enthousiasme van de mannen kan het niet liggen! Maar misschien dat Italiaanse mevrouwen, als zij ’s avonds moe thuiskomen van de hele dag op een motor zitten en glimlachen, liever een voetmassage hebben dan pasta voor de kinderen koken.

Wat zo’n Italiaanse beurs verder nog bijzonder maakt? Naast de luxe dat je je iedere vijftig meter kunt laven aan een heerlijk kopje vers gezette espresso, is er vooral het enthousiasme voor het thuisprodukt. In de stand van Ducati kon je over de hoofden lopen. Er stonden bewakers bij de motorfietsen om de vervaarlijk oprukkende Ducatisti weg te houden van 1098. En als je een foto wilde maken van de Hypermotard 1100 ging dat ongeveer zo: “Als jij nou je elleboog uit mijn linkeroor haalt, kan ik mijn rechtervoet weer op de grond neerzetten en waarschijnlijk via de oksel van die man links voor me de camera op de schouder van dat meisje leggen. En meneer, kunt u dan even afdrukken?” Zoveel mensen! Maar erg behulpzaam. Ik beschik nu over twee haarscherpe foto’s van een achterwiel en één van een blonde knieholte.

Hetzelfde tafereel speelde zich ook af bij Aprilia en bij Bimota, hoewel je daar ook veel mensen zachtjes huilend aantrof. Ah, Bimota, wat een kunstwerkjes, bellissimo!
Als de menselijke en motorische schoonheden binnen je allemaal teveel werden, was er ook nog het buitengebeuren. Op deze dag niet zo aantrekkelijk omdat het behoorlijk regende. Verder heb ik er een neus voor om precies het verkeerde moment te kiezen. Inderdaad, wanneer de show net afgelopen is.

Bleef het kinderparcours. En daar heb ik bijna een uur gestaan. Ongeëvenaard hoogtepunt van de beurs! Op een ovaaltje tussen strobalen mochten kinderen tussen de pakweg zes en tien jaar op elektrische modelmotorfietsjes en auto’s rondjes rijden. Sommige mét en anderen zonder zijwieltjes. En dan denk je misschien: “Leuk toch die kinderen, die zullen ongetwijfeld aardig met elkaar spelen. Dan zul je zien, dat voorrang geven eigenlijk een heel natuurlijke zaak is”. Fout, helemaal fout! Ik heb in Milaan met eigen ogen kunnen vaststellen dat al het latere rijgedrag reeds in de vroege jeugd, ruim tien jaar vóór het rijbewijs, volledig in de persoonlijkheid verankerd is.

De pompend gasgevende vrouw? Een zevenjarige met gebreide wantjes. De aso die vindt dat iedereen voor hem opzij moet gaan? Achtenhalf en nu al hopeloos verloren. De wijfelaar die naar links neigt en toch naar rechts gaat? Natuurtalentje met snottebel. De wraaknemer met de middelvinger? Net zes geworden was hij nu al blonde vlechtjes aan het pesten. Verder had je nog de brokkenmaker, vermoed ik dat een van de achtjarigen te vaak in het wijnglas van zijn vader keek en heb ik moeten vaststellen dat remmen niet in onze genetische informatie is opgeslagen. Kinderen remmen niet. Dus vonden er om de twee rondjes interessante kop-staart-botsingen plaats. Bij vijf kilometer per uur, de A2 in mini-formaat.

Met zijn twee miljoenen of daaromtrent verlieten we aan het eind van de dag het beurscomplex. Sjokkend, want moede benen. Veel kilometers gemaakt. Maar wat een feest, volgend jaar weer!

Deze column verscheen eerder in MotoPlus 22/2006.

woensdag 10 maart 2010

Amateur test band

Waarom kosten banden bij de gewone motorzaak bijna het dubbele van de prijs die je ervoor betaalt bij een bandenbedrijf? Op deze vraag heb ik ook na de drie setjes rubber van afgelopen jaar nog steeds geen sluitend antwoord gekregen. Dus blijf ik gevangen in een wat onhandige spagaat. Enerzijds gun ik mijn dealer zijn winst en wil ik onze prettige relatie niet verstoren. Anderzijds weet ik dat ik bij het bandenhuis, of door te bestellen via het internet, op jaarbasis honderden euro’s kan besparen. Mits die handige kennis met dat bandenapparaat tijd heeft voor de montage, natuurlijk.

Gelukkig heb ik nu ook een derde manier ontdekt: de gecombineerde bandentest-circuitdag. Met enige regelmaat worden die door bandenfabrikanten en importeurs uitgeschreven. Voor een zacht prijsje krijg je een set nieuwe banden én mag je een dag rondrijden op een circuit. Voor dit pakket betaal je veel minder dan wat je bij je vriendelijke dealer voor het rubber alleen zou neertellen. En als het meezit krijg je er nog eten en een goochelaar bij ook!
Is mij deze zomer nog gebeurd, in Duitsland, bij de firma Continental op het Contidrom bij Hannover. Het Contidrom (zo af en toe zie ik het in dit blad wel eens op foto’s bij een testverhaal opduiken) is de testbaan van Continental. Daar testen ze banden, ABS systemen en nog veel meer dingen die me in het Duits verteld zijn en die mijn vertaling niet overleefd hebben.

Er is een natte baan, er is een droog circuit, er zijn stukken slecht asfalt, er zijn kinderkopjes en versleten keitjes en er is natuurlijk onvervalste Duitse Bitumenflickerei. Dat zijn van die scheuren in het asfalt die gerepareerd worden door er teer in te gieten. Ziet er best aardig uit, tot de zon er op schijnt, want dan wordt de teer weer zacht. Of nog erger, tot het gaat regenen, want dan heeft de teer een glijfactor waar IJsstadion Thialf jaloers op zou zijn. Om al deze wegdeksoorten heen loopt een onvervalste kombaan, waarvan het nut is dat het eigenlijk een eindeloze rechte weg is, maar dan een waarvoor je niet zoveel ruimte nodig hebt. Daar kun je dus duurtesten op doen, vooropgesteld dat je wel harder dan honderdtachtig rijdt, want anders val je naar beneden. En dat je de voorspanning en de demping flink opschroeft, want anders schuift je middenbok in de kom voortdurend over het wegdek.

Op de natte en de droge baan mochten we in augustus een dag lang spelen, met begeleiding van Continental en de firma Wunderlich. Inclusief set Sport Attack, diner met goochelaar en hotelovernachting en barbecue toe, voor net aan 300 euro! Gewoon ingeschreven via het internet, je hoefde niet eens klant te zijn. Hoe dat dan weer economisch zoden aan de dijk zet, daar ben ik nog niet achter.

En was het wat, de Sport Attack? (Mochten er nu erg rare zinnen komen, dan heeft de heer Bulsink, hoofdredacteur van MotoPlus, waarschijnlijk in mijn tekst zitten schrappen, iets mompelend over “amateurtesters”). Laat ik het zo zeggen, mijn liefde voor de Michelin Pilot Power is er niet door aan het wankelen gebracht. Op een droge weg is de Sport Attack helemaal fijn, op een natte weg een stuk minder en na 2900 kilometer is hij op! Schoon op! Geen micrometer profiel meer te zien. ’s Morgens denk je: “zo'n duizend kilometer redt hij nog wel”. Om ’s middags te ontdekken dat het laatste laagje profiel van een compound is gemaakt, die oplost als je hem te lang in de zon laat staan.

Vervelend was dat ik dat pas ontdekte toen ik aan het dagje testen in Duitsland nog een weekje Frankrijk had geknoopt. Op de terugweg, op maandagochtend. En denk maar niet dat er op maandag ergens in Frankrijk een motorband te krijgen is. Dus moest ik doorrijden naar Luxemburg, natuurlijk in de stromende regen, en bij iedere tankstop kijken of er al metaal door het rubber heen begon te schemeren. Dat moet ik die Conti dan wel weer nageven: dat hij ook zonder profiel, terwijl ik allang op het karkasrubber zat, op de snelweg nog best redelijk aanvoelde. Maar na demontage in Luxemburg kon ik het loopvlak zo met één vinger indrukken, dus veel langer had het niet moeten duren. Bij de Luxemburgse dealer moest ik voor de nieuwe Pilot Power overigens wel de volledige catalogusprijs betalen, toch ook bijna 300 euro. Ik wilde nog zeggen: weet u wel dat je voor dat geld een goochelaar, een diner én een set banden kunt krijgen? Kijkend naar mijn doorschijnend versleten Conti besloot ik om dát toch maar niet te doen.

Deze column verscheen eerder in MotoPlus 20/2010

donderdag 4 maart 2010

Bij papa achterop

Bonk. Ik voel een helm maat XS midden tegen mijn rug, het teken dat mijn zoon achterop in slaap valt. Hij is acht jaar, vindt het prachtig op de motor, maar na een uurtje rijden dut hij in. Ik stop. In de tanktas zit een noodrantsoen voor deze gelegenheden, bestaande uit een sultana en een pakje sap. Of we besluiten dat het tijd is voor een ijsje en gaan op zoek naar de lokale ijsboer. Sinds hij met zijn voeten bij de stepjes kan, gaan we vaak samen een stuk rijden. Altijd ergens heen. Naar het VOC-schip in Lelystad, de Lucky Luke-tentoonstelling in Hoorn, het TV-toys museum in Dieren. Een ritje heen, een bezoek en een ritje terug, onderbroken door sultana of ijsje.

Hij is apetrots op zijn speciaal aangeschafte helm, het leren jasje, de door z’n moeder verbouwde oude leren broek van papa en de échte motorlaarzen, uit een restantenbak op de motorbeurs. Maat 36. Op dit paar zullen in de jaren erna nog vier paar volgen, want die kindervoeten groeien snel. Ook breidt onze actieradius zich uit, tot de traditie ontstaat van een heuse vader-zoon motorvakantie. Samen een week op stap. Inmiddels wel met topkoffer. Lekker als steun in de rug. En een veilig gevoel, mocht hij zijn dutje eens in achterwaartse richting beginnen.

Vanaf de eerste rit is hij helemaal vrij achterop. Heeft een blind vertrouwen in mijn rijkunst, zoals alleen kinderen dat kunnen hebben. Aan zijn schaduw kan ik zien dat hij zit te spelen onderweg. Ik voel zijn armen soms druk bewegen en ik hoor hem met allerlei verschillende stemmetjes praten en zingen. Hele toneelstukken spelen zich af achter mijn rug, maar het is niet de bedoeling dat ik naar de inhoud vraag. “Ach, gewoon, ik fantaseer maar wat”.

We gaan ’s zomers met de motor naar Zuid-Engeland, bekijken Loire-kastelen, gaan naar het Lake District en bezoeken whiskystokerijen in Schotland. De laatste twee bestemmingen zijn favoriet door de bootreis er naartoe. Binnen een half uur zijn we in IJmuiden en dan begint de vakantie al! Een boot als een groot hotel, met lekker eten en een bioscoop aan boord. En ’s morgens rij je na het ontbijt het grote historische themapark binnen, dat wij kennen als Groot-Brittanië. Samen staren we (onder het genot van een ijsje) naar het oppervlak van Loch Ness. Helaas, het monster slaapt. Of is boodschappen doen. We ontdekken in zijn geboortehuis een geheel aan Stan Laurel gewijd privémuseum. En zien op foto’s dat Stan op dezelfde boot naar Amerika vertrok als Charlie Chaplin. Ze kenden elkaar nog niet en de wereld kende hen ook nog niet. Natuurlijk vertrek ik na de lunch een keer aan de rechterkant van de weg. Na lichtsignalen, de schrik en de zwiep naar links besluiten we dat hij links-wegrijden-controleur wordt. Vanzelfsprekend een serieuze taak. Als ik als grap (toegegeven, slappe vaderhumor) op een stille weg expres rechts wegrijdt, wordt mijn linkerschouder zowat blauw gebeukt. “Naar links, papa”, klinkt het boos van achteren. “Opletten!”

Met de groter wordende laarzen komen ook nieuwe jassen en broeken. Wederom met dank aan de motorbeurs in Utrecht. Heel even is er de korte periode dat hij in mijn spullen past. Maar goede voeding en veel sport eisen hun tol en hij scheurt mijn broek- en schoenmaat voorbij, op weg naar voeten maat 45 bij een lengte van 1 meter 90. Met die groei verandert ook het gedrag achterop. De toneelstukjes verdwijnen. Hij blijft langer wakker, hij wil weten hoe hard we gaan. En of het niet harder kan. Inhalen moeten we. Ons gezamenlijke gloriemoment komt als we in de Eifel een groep Fireblades en SP-1’en inhalen. Met zijn tweeën op een BMW-boxer, met koffers! Watjes!

Een jaar of tien heeft de achterop-periode geduurd. Nu is hij negentien en studeert sinds kort in Maastricht. Tweehonderd kilometer verderop, dus de zondagmiddag heb ik weer aan mezelf. Nou was samen een stukje rijden de laatste twee jaar toch al van het repertoire verdwenen. Als zestienplus puber heb je op zondagmiddag andere dingen te doen. Basketballen met het team, uitslapen van de vermoeienissen van zaterdagavond of je vriendinnetje natuurlijk. Dus de topkoffer hoeft niet meer en de motorlaarzen maat 45 verstoffen achter in de kast. Maar ze mogen niet weg, want we gaan vast nog wel eens een stukje rijden, vertrouwt hij me bij z’n verhuizing naar het zuiden toe. Onderweg een ijsje eten, of we nemen in de tanktas spullen mee voor een picknick met zijn tweeën. Vond hij ook altijd zo leuk, zegt hij. En zo valt mijn motorleven samen met zijn goede jeugdherinneringen. “Die neem je mee zo lang je verder leeft…”

Deze column verscheen eerder in MotoPlus 18/2006

zaterdag 27 februari 2010

Pas op voor Zwarte Golfjes

Het einde van het seizoen nadert, dus de dagen worden korter en de schaduwen langer. Wat betekent dat we moeten gaan oppassen voor Zwarte Golfjes! Ik heb daar ervaring mee. Begin oktober staat er bij mij altijd een lang weekend toeren op het programma. Als het mee zit heb je nog lekker weer en lunch je op een terrasje, als het tegen zit kom je thuis met stoere verhalen over drie dagen regen en de eerste sneeuwbui. De keus valt meestal op een heuvelachtig gebied niet te ver weg. Eifel, Westerwald of Ardennen, leuk rijden en goed van eten en drinken. Maar ook voorzien van de reeds genoemde Zwarte Golfjes.

Ik was ditmaal op weg naar een weekendje dat zich zou afspelen in de omgeving van Waxweiler (D), iets ten oosten van de Luxemburgse grens. De nazomer deed zijn best, de terraslunch had ik achter de rug en het laatste stuk van mijn aanrijroute voerde door beboste dalen, langs lieflijk murmelende riviertjes. Op het moment dat ik twee lokale loodgietersbusjes wilde inhalen ging het mis. Een van die lange schaduwen die over de linkerbaan viel, bleek plotseling een Zwart Golfje te bevatten. Net op tijd kon ik nog tussen de twee busjes duiken. Hoewel, niet helemaal net op tijd. De linker koffer raakte het Golfje, maar ik bleef overeind. Na de bekende krachttermen onder de helm zette ik de motor op de eerste parkeerplek langs de kant. Even de schade bekijken, de automobilist zal zo wel komen. De schade viel reuze mee. Het kofferdeksel was blijkbaar ingedeukt, toen gescheurd, maar vervolgens weer keurig in de vorm terug gesprongen. Ha! Eindelijk plezier van die rol klustape, die ik altijd meesleep.

Intussen waren er al diverse auto’s gepasseerd, maar van het Zwarte Golfje geen spoor. Toch maar eens kijken. Dus omgedraaid en een paar kilometer terug gereden. Daar bleek intussen een heuse volksoploop ontstaan te zijn. Ik stopte en vroeg wat er gebeurd was. Ik hield me nog even van de domme, omdat ik eerst de stemming in de menigte wilde peilen. Werd er al een strop om een boomtak gegooid, hoorde ik iemand om pek en veren roepen, werden er fakkels aangestoken? Maar iedereen bleek vooral bezorgd om het grijze omaatje, dat nog natrillend op een bankje naast haar gehavende autootje zat. Wijzend op mijn motorfiets vertelde ik haar dat wij elkaar zojuist al waren tegen gekomen. Om daar meteen aan toe te voegen dat het erg dom van mij was geweest en dat we alles ter plaatse gingen regelen. Dit laatste om te voorkomen dat er politie bij zou komen. Die zou mij ongetwijfeld wegens Fahrerflucht en roekeloos rijden zwaar op de bon slingeren. Dat schijnen ze namelijk te doen, in Duitsland. Rudi Carrell (hij is niet meer) werd enige jaren geleden aangeklaagd wegens Fahrerflucht toen hij in de parkeergarage van het hotel waar hij verbleef tegen een andere auto was aangereden. Zoals het bij ons hoort, deed hij keurig een briefje onder de ruitenwisser met zijn kamernummer, excuses en het verzoek contact op te nemen. Nou, dat vinden ze in Duitsland niet genoeg. Hij had officieel bij de beschadigde auto moeten wachten tot de bestuurder daarvan weer terug zou komen. Desnoods zet je een tent in die parkeergarage en ga je er een week kamperen. Maar wachten zul je!

Gelukkig was mijn bejaarde slachtoffer helemaal blij met het aanbod samen het schadeformulier in te vullen. Of ik het wilde doen, haar handen trilden nog zo. De menigte was inmiddels gerustgesteld afgedropen, ervan overtuigd dat Nederlandse motorrijders weliswaar roekeloos, maar ook buitengewoon beschaafd waren. Samen bekeken we de schade aan het Golfje. Mijn kofferdeksel had behoorlijk huis gehouden. Er zaten krassen over de hele lengte van de auto en flinke deuken in voorspatbord en deur. Net waren we begonnen met invullen van het schadeformulier toen mijn Duitse oma ineens luidkeels “Schätzi! Ganz vergessen!” riep en de achterdeur van de auto open trok. Daar zat de vergeten Schätzi, de bekende kruising tussen terriër, bordercollie en de vuilnisbak van de buurman. Net als zijn bazin nog hevig natrillend van de schok. Schätzi had ook op de achterbank een klein, maar sterk geurend ongelukje gedaan. Van de stress natuurlijk. Na het invullen der papieren namen oma en ik hartelijk afscheid. Ze drukte me nog op het hart het voortaan rustiger aan te doen. Een paar dagen later heb ik haar nog een nazorg-kaart gestuurd. Met Kerst kreeg ik er een terug, samen met een foto van het als-nieuw-strakke-Golfje. Met Schätzi ging het ook goed. Haar darmpjes waren de schok inmiddels geheel te boven.

Deze column verscheen eerder in MotoPlus 16/2006

vrijdag 26 februari 2010

Snelle delen te koop

Dure vering, snelle uitlaat, chip, carbon achterspatbord... Mijn dealer hoefde het bij inruil allemaal niet te hebben. In originele staat wenste hij de inruiler in ontvangst nemen, want dat verkoopt in Nederland beter. Anders denken de mensen maar dat er vreselijk mee geragd is, met die fiets.
Dus bleef ik na de overdracht van mijn nieuwe BMW R1200S zitten met een doos vol snelle onderdelen voor een R1100S. Z.g.a.n. natuurlijk, en alleen door een oud dametje gebruikt om boodschappen mee te doen. Een vriend wilde de Technoflexjes wel hebben en zag ook wat in het achterspatbord. Met de rest ging het richting Marktplaats. En dan leer je de mede-motorrijders weer van een heel andere kant kennen!

Ten eerste blijkt er een flink contingent pingelaars motor te rijden. Het begrip tweedehands maakt in deze jongens een langgekoesterd koopmanschap los. Allerlei keurige huisvaders die er niet over zouden peinzen om bij het benzinestation of bij de Albert Heijn om korting of een litertje extra te zeuren, beginnen hun mailtjes met de vraag of het niet voor de helft kan. Of ze proberen de prijs meteen naar beneden te praten door te wijzen op allerlei verborgen gebreken.

Toen ik een aantal jaren terug een huis ging kopen had ik een vrouwelijke makelaar ingehuurd die daar een meester(es) in was. We waren een beoogde woning nog niet binnen of ze begon nog tijdens de kennismaking met de verkopende makelaar allergisch te snuffelen, gevolgd door de vraag of hij die gronderige lucht ook rook. Of er misschien recent lekkage was geweest. Of was de kelder ondergelopen? De afvoer lek? De eigenaar incontinent? En wat raar dat de verkopende makelaar dat allemaal niet wist. Op dat moment was de vraagprijs al met 20.000 euro gezakt.
Deze vaardigheid heeft de gemiddelde motorpingelaar nog niet onder de knie. Ik kreeg diverse mailtjes waarin me bot werd meegedeeld dat de onderdelen het geld sowieso niet waard waren, gevolgd door het aanbod om me er voor weinig vanaf te helpen. Ze zouden wel in de weg staan. En nee, daar hoefde ik helemaal niets voor te betalen. Er was ook iemand die vroeg of die bruine aanslag op de roestvrijstalen uitlaatbochten roest was. Tja…

Al deze belangstellenden heb ik met genoegen de volgende boodschap terug gemaild: “Motorrijden is een dure hobby. Get used to it!” Vrij naar de film "The long kiss goodnight", u weet wel, met Geena Davis.
Meestal was dit afdoende, de pingelaar is blijkbaar op zoek naar makkelijke slachtoffers.
Verder ben ik tot de conclusie gekomen dat wij, Nederlandse motorrijders, dol zijn op lawaaipijpen. Het aantal reacties op de aangeboden Laser overtrof verre die van potentiële kopers voor de andere spullen. Terwijl de uitlaat zonder de bijbehorende chip niet voor vermogenswinst zorgt. Alleen voor herrie. Lekkere donkere boxerherrie, dat overigens wel. Vooral als je vlak voor een haarspeldbocht terugschakelt en de motor door de uitlaat tegen je hoort praten. Met van die lispelende klappen… Dan lopen de rillingen over je rug!

Komen we bij de laatste categorie mailers. Gelukkig de grootste. Dat zijn de motorrijders die weten waar ze over praten, die weten wat de spullen waard zijn en die het verder gewoon leuk vinden om een digitale boom op te zetten. Met een paar ervan heb ik wel een keer of zes heen en weer gemaild, ook nog toen het spul al aan iemand anders verkocht was. Waarover die mailtjes gingen? De normale onderwerpen natuurlijk. Over Michelin en Metzeler, over Technoflex en Ohlins, over rijden in Friesland versus rijden in het Zwarte Woud, over het nut van een leren zitvlak. Die dingen waar je het altijd met andere motorrijders over hebt.

Ik heb aan de verkoop ook twee echte contacten overgehouden, jongens waarmee ik in het voorjaar een keer een ritje ga maken. Vrouwelijke reacties heb ik overigens niet gehad. Vrouwen houden hun S blijkbaar liever standaard, of ze laten hun vriendje mailen.
Maar alles bij elkaar heb ik aan mijn verkoopactie dus veel meer overgehouden dan een paar honderd euro. Nieuwe rij-maatjes, en een hobby voor komende winter. Als het dan koud en donker is en de motor onder een zeiltje in de garage staat te winterslapen, zet ik gewoon wat advertenties op Marktplaats. Ik denk dat ik het dit keer een beetje in de exotische hoek zoek. Benelli-onderdelen, KTM-vering, een MZ-koppeling, een Buell-uitlaat of zo. Gegarandeerd goed voor nieuwe gesprekken en nieuwe vrienden.

Deze column verscheen eerder in MotoPlus 14/2006

dinsdag 23 februari 2010

Alpenoffensief

Het zit er weer op, het Alpenoffensief 2006. Nog nagenietend citeer ik pas 2 t/m 7 uit de route van dit jaar: Col du Glandon, Col de la Croix de Fer, Col du Telegraphe, Col du Galibier, Col du Lautaret, Col de l’Izoard. Ja, als deze opsomming je nog niet in de stemming brengt, ruil die motor dan maar weer in voor een fijne middenklasser-met-schuifdak.
Tien dagen, 4900 kilometer, ruim zestig passen en een setje Pilot Power heeft het plezier dit jaar geduurd. Samen met een maatje, een tanktas en een tasje met verschoning achterop, heb ik de Alpen van noord naar zuid en van west naar oost doorkruist. Even hebben we de tenen in het water van de Middellandse Zee gestoken (lekker op temperatuur). Vervolgens zijn we na een rondje Dolomieten via Italië en Zwitserland terug gereden. Met het Zwarte Woud als toetje.

De voorbereidingen voor deze bandenverslindende tocht waren al in november begonnen. Om de paniek te bezweren die toeslaat zodra het wintertijd is geworden, ga ik een paar avonden zitten met een tafel vol kaarten. Met een dikke markeerstift kies ik dan de leukste wegen uit. Op basis van kronkeligheid en niveauverschil natuurlijk, want rechtdoor langs de zee rijden kan ook tussen Petten en Kamperduin.
De mix van herinneringen en verwachtingen die zo’n avondje plannen met zich meebrengt, helpt me de winter door. Nog maar even, denk ik dan. Sinterklaas, Kerstmis, Nieuwjaar, met behulp van flink wat Prozac de duisternis van januari doorworstelen en dan is het al februari. Motorbeurzentijd en nog maar een heel kort maandje naar de lente!

De route uitstippelen voelt bijna net zo lekker als het rijden zelf. Er komen herinneringen boven. Aan die bocht waar het achterwiel zelf bedacht waar het heen ging. En dat het toch nog goed afliep. Aan dat hotel op de grens tussen Zwitserland en Italië waar we de enige gasten waren. Aan de tatouage van het beeldschone meisje dat ons bediende op een terras bij Briancon. Zat die nou echt ónder haar navel? Aan die vriendelijke Fransman die voor ons uit reed om een benzinepomp te wijzen. En er wordt beslist waar we zeker weer langs moeten.
Ergens weer terug komen, op basis van vroegere ervaringen maakt het vaak nog leuker. Zo weet ik bijvoorbeeld dat de Telegraphe een echte ochtendpas is, omdat het licht er ‘s morgens zo mooi overheen strijkt. Terwijl je de San Bernardino nooit in één keer moet doen: je moet pauzeren bij dat grote tankstation halverwege. Eet daar lekker een ijsje in de wetenschap dat het mooiste stuk nog moet komen!

Ander vast punt wordt gevormd door Hotel Evaldo (Arabba) in de Dolomieten, voorzien van overdadige keuken, zwembad en vriendelijke masseuse voor de vermoeide schouderpartij.
In dit motorparadijs blijven we altijd een dagje extra. Zo lang het nog leuk is tenminste. Dit jaar schijnt er vanaf september tol geheven te worden op de Stelvio en de Timmelsjoch, volgend jaar is de hele Sella-ronde aan de beurt. Niks meer ongehinderd 256 haarspeldbochten binnen 52 kilometer rijden, maar vier keer stoppen voor een slagboom en dokken! Ach, misschien is ook dit een Berlusconi-overblijfsel dat net als de dreigende inbeslagname bij het rijden met één losse hand weer snel van de baan is. Ik hoop het, want er staat weer een nieuw record op het spel. We zijn dit keer op het dagje Dolomieten tot zestien passen gekomen. Waarbij vermeld moet worden dat we twee keer op de Falzarego zijn geweest, maar wel van verschillende kanten, dus dan telt hij toch!

Voor diegenen die het hier niet meer eens zijn, dit heb ik van John Hermann, de “King of the Alps” himself! Die hebben we namelijk ontmoet, in het hotel. Deze Amerikaan is inmiddels al een stuk in de tachtig, maar voor zijn landgenoten nog steeds dé expert waar het de Alpen betreft. Hij schreef er een boek over met de heldere titel, “Motorcycle Journeys: through the Alps and Corsica”. Sinds 1980 rijdt hij jaarlijks met een groepje vrienden uit de buurt van San Diego over een van “zijn” Alpenroutes. Sommige van deze mannen hebben voor dat doel zelfs een motor bij een dealer in München gestald. Dat hoeven wij niet te doen, want tussen de Randstad en de Alpenpassen liggen een heleboel fijne bochten. Maar het is leuk om te weten dat in zonnig San Diego precies hetzelfde gebeurt, als ik in november in het duister over de kaarten gebogen zit. De lokroep van de Alpen draagt ver…

Deze column verscheen eerder in MotoPlus 12/2006

maandag 15 februari 2010

Koffie?

Jarenlang werd mijn auto onderhouden door een dealer waarvan de vervangende leenauto (een oud Visa-tje) altijd erg naar kippenhok rook, vermengd met een zweempje kattenbrokken. Dat was niet zo gek, aangezien deze auto ook gebruikt werd om het voer voor de kippen te halen. De kippen woonden in een hok plus ren achter de garage. Aan de zijkant van de garage stond een oude Deux Chevaux. Daarin woonden de katten, twaalf zwervertjes, die eveneens van voedsel werden voorzien. En op de wei achter de garage liepen de paarden, die door het meisje van de administratie getraind en in wedstrijden gereden werden. Zowel de baas als de monteurs liepen altijd in overall en op klompen. En als ik mijn auto kwam brengen moest ik verplicht onthaasten, want ik kreeg niet meteen koffie. Ik moest even een kwartiertje wachten. Dan kon ik gezellig samen met de monteurs mee koffie drinken. “U hebt toch geen haast? Ga vast zitten, we hebben er ook lekkere spritsen bij”.

Mijn motordealer zat in die tijd midden in de stad, in een pandje op de hoek van een gracht, waar heel vroeger een melkwinkel gevestigd was. Via de ingang stond je direct in de werkplaats, waar de baas of de monteur (niet noodzakelijk, maar wel vaak dezelfde) je eveneens in overall gekleed te woord stond. Na een korte technische uitwisseling over de fiets waaraan hij op dat moment stond te sleutelen, volgde altijd de mededeling “dat ik de koffie wel wist te staan”. Dat was ook zo.
Wat onvermijdelijk leidt tot twee conclusies: a. koffie is de benzine waarop het contact met uw dealer drijft, en b. dat er een heleboel veranderd is.
Want die leuke, kleine dealertjes waar je precies weet wie er aan jouw motor sleutelt, waar je tussen de middag een broodje mee eet of ’s morgens met de mannen koffie drinkt… Die leuke kleine dealertjes verdwijnen in snel tempo. In het kielzog van de autobranche streeft ook de motorwereld naar glaspaleizen langs de snelweg, waar verkopers in dealerhemd-met-opdruk en blinkend schone nagels mij eerst vragen hoe ik geslapen heb en vervolgens hoe ik mijn koffie wil: macchiato, latte of liever een espresso doppio?

Bedrijfstechnisch ongetwijfeld een goede ontwikkeling. Motorrijden is allang niet meer iets voor mensen met een smalle portemonnee of zonderlingen met een technische knobbel. Motorrijden is mainstream, motorrijden is een geaccepteerde hobby voor de middelbare man. Toch mis ik in de showrooms van de glaspaleizen wat de dealer-op-de-hoek en mijn automan-met-kippen zo aantrekkelijk maakt: het directe contact met de mensen die aan mijn eigendom sleutelen. Het gesprek over keerringslijtage, het hoe en waarom dit of dat onderdeel vervangen wordt, de tip om nippeltje A voortaan op boutje B te draaien. Want dat wil ik allemaal weten, en het liefst uit de eerste hand. Is het niet van de monteur, dan wel van een van die andere types, die net als ik op zaterdagochtend zo’n beetje rond de werkplaats hangen.

Stuk voor stuk zijn het mannen met goede verhalen. Vorige week werd me, gebroederlijk starend naar de achterwielophanging van een nieuw model, nog door een bink in campingsmoking meegedeeld dat hij met een voorband veel langer deed dan met zijn achterband. “Voorwiel komt bijna niet aan de grond”, begon hij. “En dat spaart rubber”. Tegen deze redenering kon ik begrijpelijkerwijs niets in brengen. Hij reed nu op een eencylindertje, want hij kwam toch nauwelijks buiten de stad, vertelde hij verder. “Lekker op het achterwiel tussen de rijen voor het stoplicht door”. Bij deze woorden rolde hij nog eens veelbetekenend met zijn tatoeages. De Fireblade had hij weg gedaan, vertrouwde hij me ook nog toe. Sinds hij in de Coentunnel met zijn vrouw achterop, bij 200 km per uur een wheelie had getrokken en vrouwlief bijna met de helm het asfalt had geraakt, wilde ze toch niet meer achterop. Ik mompelde wat meelevends richting zijn vrouw. Kon me bij haar standpunt ook wel iets voorstellen.

Hij monsterde het nieuwe model, een BMW met riemaandrijving achter. Verleidelijk, begreep ik, maar hij vroeg zich af of de riem de krachten die hij gewoon was op het achterwiel los te laten, wel zou houden. Hij zag zich waarschijnlijk al met de flarden zitten, halverwege de Coentunnel. En dan moet je zo’n fiets toch een flink eind omhoog duwen. Dit beeld maakte indruk, want het gesprek viel even stil.
We namen nog maar eens een kopje koffie van de dealer. Roodmerk en een beetje zurig, niks espresso of macchiato. Maar voorlopig wel het lekkerst….

Deze column verscheen eerder in MotoPlus 10/2006.

zaterdag 13 februari 2010

Schuivertje

Net terug van de dealer. Gisteren schuivertje gemaakt in de Ardennen. Belgische auto die zomaar overstak, nog bezig met schelden, gas erop en vervolgens iets te dicht op de motor voor me die rechtsaf ging. Ineens. (Ja, volgens mij dan, want natuurlijk gewoon stom.) Hard geremd, mooi toch dat ABS, maar wel nog even de afslaande Honda aangetikt en zo schuin over het stuur diverse kuipdelen tegen het asfalt gevleid.
Na het uitvloeken kwam al snel de berusting. Het is niet de eerste keer. En het zal vast nog wel eens gebeuren. En als het gebeurt zoals gisteren, met wat materiele schade en een deuk in het ego, dan is het geen ramp.

Natuurlijk hou ik tegenover buitenstaanders vol dat het nooit aan mij ligt. Die blinde Belg, het duin dat ineens midden op de weg staat (heus, dat doen duinen!), plassen olie op de ideale lijn (halfsyntheet, dus extra glad), automobilisten die hun deur opendoen als je tussen de files door rijdt. Ik mag er graag over vertellen en ik heb ze allemaal al eens de schuld gegeven. Er zijn echter ook een paar valpartijtjes die ik liever geheel verzwijg, maar misschien kunt u er nog iets van opsteken. En denk nu niet dat ik er elke week naast lig, maar in dertig jaar motorrijden verzamel je nu eenmaal een keur aan interessante ervaringen.

Ten eerste de stilstaande val. Tamelijk risicoloos, maar stóm, niet te geloven! Net zoals doelpunten uit spelhervattingen zal het wel iets met verslapte concentratie te maken hebben. Het ergste is als deze val zich voor de eigen garage afspeelt. Zo heb ik mijn voet daar wel eens naast de stoep gezet, terwijl de motor er nog op stond. En o, dat tergend langzame onvermijdelijke neerleggen. En dat je meteen begint te rekenen: kleppendeksel vervangen € 100, krassen in tank spuiten, toch gauw € 200 etc. Blijf dan maar eens cool kijken, in de wetenschap dat al je buren achter hun gordijnen proberen een acute lachstuip te bedwingen.

Van deze val ken ik uit eigen ervaring ook de bospad-na-het-plassen variant. De jongens waar ik mee aan het rijden was, waren al weer weg, dus ik draai vlot de weg op en zie die modderige plas waar het achterwiel in staat over het hoofd. Gas erop, pirouette draaien en… Kleppendeksel vervangen € 90, kras in tank… Nou ja, u snapt het wel.

Maar dit zinkt allemaal in het niet bij de allerergste: de toeristenval. Zo een waarvan je altijd denkt, dat het alleen maar Duitsers overkomt die op vakantie een motor huren op vertoon van hun autorijbewijs. Als verzachtende omstandigheid wil ik aanvoeren dat het gebeurde in een drie jaar durende motorloze periode. Mijn zoon was nog klein en het motorbenzinegeld moest ik noodgedwongen investeren in luiers, wandelwagentjes en nachtvoedingen. Maar na twee weken gezinsvakantie op Kreta vond ik dat ik de vaderlijke zorgtaken afdoende had ingevuld. En leek het ook de echtgenote goed voor ons huwelijk als ik de dagelijkse gang hotel-strand-hotel-strand-hotel even verruilde voor drie dagen op een gehuurde XT 250. Omdat er bij de verhuur glazig werd gekeken toen ik in mijn beste Grieks naar een helm vroeg, had ik een T-shirt stevig om mijn hoofd gewonden. Ja, zeg maar niks, ik weet het! Het is nooit meer gebeurd, sindsdien ga ik naar de bakker nog volledig in het leer. Ik tik zelfs dit stukje met motorhandschoenen aan, maar toen… Motorhitsigheid in zijn ergste vorm.

De derde dag sloeg het onvermijdelijke noodlot toe, in de vorm van een plastic buis die over een pad langs zee lag. De XT stuiterde richting het water, waar twee vissers net hun bootje aanlegden. Zij tuurden vervolgens strak naar het wateroppervlak, ervan overtuigd dat de berijder kopje onder was gegaan. Dat was niet zo. Ik lag aan de andere kant van het pad en probeerde met het t-shirt mijn bloedende onderarm te stelpen. Kwam het shirt toch nog van pas! Achter op de brommer van de buurman ging het richting ziekenhuis. Dat bleek een spiksplinternieuwe kliniek aan het eind van een geitenpad, waar de wond door een chirurg in opleiding (ja, ik trof het weer!) prachtig gehecht werd. Gratis en voor niks. Alleen werd tijdens het hechten door de arts en drie lokale geitenhoeders dwars over mij heen opgewonden over de verkiezingen van de volgende dag gediscussieerd. En ging er een fles ouzo rond. Die de dokter oversloeg, gelukkig.

Er komt trouwens net een mailtje van de dealer binnen. Schuivertje heeft z’n best gedaan. Ruitje, kleppendeksel, richtingaanwijzer, hulpframe, diverse kuipdelen… Dat wordt morgen met de verzekering bellen. Met Pinksteren moet alles er dan weer op zitten. Laat ik er meteen een setje nieuwe banden onder gooien. En zal ik meer afstand houden. Beloofd.

Deze column verscheen eerder in MotoPlus 8/2006

vrijdag 12 februari 2010

Dikke Peter

In voor- en najaar maak ik samen met vier of vijf vrienden een lang weekend lang het Zwarte Woud onveilig. Nou ja, vrienden… Eigenlijk zie ik het merendeel van deze mannen maar twee, soms drie keer per jaar. En dan nog het grootste deel van de tijd met een helm op. Maar samen rijden verbroedert snel.
De route en het programma liggen grotendeels vast. We vertrekken vrijdagochtend tegen zeven uur vanuit St. Willibrord. In deze gemeente wordt per hoofd van de bevolking de meeste chloor verkocht, naar het schijnt. Willibrorders houden niet van natuur, dus ze betegelen hun voortuin en schrobben die regelmatig met chloor blinkend schoon en grasvrij.

Rond het middaguur stoppen we bij het eerste tankstation in Luxemburg en duiken vervolgens, na nog zo’n honderd kilometer snelweg, de Vogezen in. Die worden in de lengte doorkruist, onder andere via de Route des Crêtes. Dit gaat allemaal in een tamelijk illegaal tempo. Noodzakelijk, omdat we voor donker nog over de Ballon d’Alsace willen (voor het echte berggevoel) en daarna het stroomgebied van de Rijn moeten oversteken, richting Duitsland. Daar aangekomen is het duister meestal gevallen, zodat we min of meer op de tast ons eenvoudige overnachtingsadres in de buurt van Todtmoos bereiken. € 9 per nacht, inclusief ontbijt! Waar vind je dat nog? Moet je wel zelf je slaapzak meenemen.

Na de hartelijke ontvangst door Lutz, een soort uitgegroeide Schwarzwaldkabouter met ADHD, en de bekende fles witte wijn, wachten de Goulashsuppe en de Holzfällersteak (ook deel van het vaste programma). Zaterdag vermeldt het programma wederom heel veel bochten, onderbroken door een koffiestop voor een punt Schwarzwalder Kirschtorte. Zondag rest de terugweg, zoveel mogelijk binnendoor.

Tot zover niks nieuws en voor veel motorrijders een bekend recept. Iedereen heeft waarschijnlijk zo z’n adresjes, fijne routes en vaste motormaatjes. Maar of iemand ooit een dagje achter Dikke Peter heeft aangereden? Ik waag het betwijfelen. Dikke Peter was er namelijk ineens, vorig voorjaar, ’s morgens bij het ontbijt. Een kennis van een kennis die wel eens op een treffen viavia, nou ja, zo’n vage bekende dus. Peter komt uit het noorden van Duitsland en rijdt net als ik en mijn vaste motormaatje een BMW R1100S. Dat schept een band, want je hebt meteen gespreksonderwerpen in overvloed. “Benzingespräche”, zoals de Oosterburen dat noemen. Over hoe lang hij met een achterband doet. 3000 kilometer? Tja, da’s niet echt veel. En dat zijn moeder het maar een gevaarlijke hobby vindt, dat motorrijden. Peter woont namelijk, ondanks zijn 43 jaar, nog steeds thuis. Vanuit het ouderlijk huis bestiert hij zijn eenmansbedrijfje in belastingadviezen en accountancy. En dat gaat hem goed af, mede dankzij mama’s hulp. Als een klant bij Peter op bezoek komt, zorgt zijn moeder namelijk voor de koffie, altijd met een stukje zelfgebakken appeltaart erbij. Gemütliche klantenbinding. Ja, daar kunnen die grote onpersoonlijke bureau’s niet tegen op. Alleen is Peter door de goede zorgen van zijn moeder langzaam maar zeker behoorlijk aan het dichtgroeien.
Peters garage is in de loop der jaren eveneens goed gevuld geraakt. Hij heeft een Audi Quattro, de al genoemde BMW en ook nog een Honda SP-1, zo’n straatlegale superbikeracer.

Of hij een stukje met ons mee mocht rijden, vroeg hij tijdens het Zwartewoud-ontbijt. Tuurlijk, gezellig, sluit maar aan. Ging ook helemaal goed, die ochtend. Peter kon het flinke tempo makkelijk bijbenen. Bij de koffie (mét punt) stelde hij voor een stukje voorop te rijden. Hij kende het gebied goed, hoefde niet op de kaart te kijken en hij wist nog wel een paar leuke weggetjes. Goed plan, dachten we toen nog. Later niet meer. Want eenmaal voorop ging Peter volledig los. Zoals alle Duitsers reed hij in de dorpen keurig 50. Zoals maar weinig Duitsers reed hij tussen de dorpen 180! Op kronkelige tweebaanswegen, vol onoverzichtelijke bochten!
Ja, dan gaat er toch wat door je heen. Doe ik dit wel, doe ik dit niet? Kan ik dit wel of durf ik dit niet? En kan ik dit wel máken? Maar ja, ik laat me toch niet losrijden door een zwaarlijvige middelbare accountant?

Met de adrenaline nog stijf achter de oogballen stopten we bij een terrasje voor de lunch. Onverstoorbaar werkte Peter een stapel broodjes naar binnen. Hij stapte maar eens op, zei hij, want hij had haast. Hij moest nog naar huis, in de buurt van Hamburg. Op zondag kookte zijn moeder altijd zijn lievelingsgerecht, iets lokaals met varkenspootjes. En hij wilde voor het eten thuis zijn. Anders werd het lieve mens maar ongerust.

Deze column verscheen eerder in MotoPlus 5/2006

Frau Schönewald

Het schijnt er aan te komen, het puntenrijbewijs. Samen met nog meer drempels, rekeningrijden, cameratoezicht en 80-km zones. Onderdelen van een pakket maatregelen die het op de weg misschien veiliger, maar niet leuker maken. En ik hoef helemaal geen puntenrijbewijs, want ik heb al strafpunten! Zelf gescoord, in Duitsland, bij Frau Schönewald.

Twee jaar terug, aan het eind van die lange warme zomer, toen ik nog even rubber ging opbranden in de Eifel. Het was op zaterdag, eind september, briljant weer. Ik was voor mijn doen zeer vroeg opgestaan, zat al om zeven uur op de motor en voor half negen aan de koffie, bij de AC bij Weert. Dan is het nog maar een klein stukje snelweg, vervolgens hop, binnendoor, puntje België pakken en voilà, je bent midden in het Eifelse bochtenparadijs. Vossenack, Schmidt, Heimbach, here I come. Nog even rustig door Vossenack sukkelen, tussen de “Denk an unser Kinder” en “Rasen ist out” borden door en dan gas erop. De eerste Eifelbocht, links, rechts, doordraaier, boswachters… Boswachters? En wat doen ze midden op de weg? Mij tot stoppen dwingen, dat was duidelijk. En het feit dat Duitse politieagenten er nog steeds als boswachters uitzien, schijnt zo bepaald te zijn na 1945. Een groot deel van Europa had toen minder prettige associaties bij het zien van een Duitser in blauw of zwart uniform.

Of ik rechtsonder wilde tekenen, 105 km p/u in een 50 km zone, buiten het dorp. En graag cash afrekenen, € 170. Een pinautomaat? In het dorp, dus weer terug rijden en dan tegenover de kerk. De heren zijn zo vriendelijk om zich intussen over mijn rijbewijs te ontfermen. En als ik terugkom? Ja, wel 50 rijden, anders beginnen we weer van voren af aan.

Na het afhandelen van de administratie vlucht ik richting België, angstvallig 10 km onder de aangegeven snelheid rijdend. Twee weken later valt een brief uit Düren op de mat. Van de lokale officier van Justitie, Frau Schönewald. Ik heb vier strafpunten gekregen en een maand rijverbod! Maar omdat het mijn eerste keer is, is ze genadig en mag ik zelf aangeven wanneer het rijverbod in gaat. Binnen de komende vier maanden, dat wel. O ja, en of ik dan wel mijn rijbewijs wil aanbieden om het verbod op aan te tekenen.

Veel gesurfd op het net, want allerlei vragen. Neemt Nederland zo’n rijverbod bijvoorbeeld over? Nee, gold alleen voor Duitsland. Houden ze je rijbewijs een maand vast? Gelukkig niet, als je het komt brengen, mag je het meteen weer meenemen, maar ze gaan er wel Duitse tekst en stempels in zetten. Vooral het laatste lijkt me erg vervelend. Stel, ik word binnen onze landsgrenzen een keer geflitst met een fors te hoge snelheid (is nog niet gebeurd, maar wat niet is…), dan is het moeilijk vol te houden dat ik een oude dame hielp met de boodschappen en dat ik helemaal niet wist dat-ie in z’n één zo hard ging! Zeker niet als in mijn rijbewijs al een Einmonatiges Fahrverbot vermeld staat.

Gelukkig komt er hulp. Uit Burundi, Somalië, Birma en Pakistan. Landen die samen met Duitsland het internationale rijbewijs erkennen. Je weet wel, dat kartonnen boekje dat je voor € 13 bij de ANWB haalt. Als enige lid van de EU ziet Duitsland dit stukje ANWB-huisvlijt nog voor vol aan. Dus heb ik geïnvesteerd. In pasfoto’s, internationaal rijbewijs, en in aangetekend verzenden naar Düren. En in een fraaie brief in het Duits (hoop ik) aan Frau Schönewald, die Blonde van de Bussgeldstelle.
Binnen een week heb ik de papieren weer terug. Frau Schönewald heeft hoogstpersoonlijk mijn Verbotsfrist (want zo heet dat) ingeschreven en er een mooi stempel bij gezet. Ze heeft een rond handschrift, Frau Schönewald, en je kunt zien dat ze graag hoofdletters schrijft, vooral de B. En ze vind het goed, Frau Schönewald, dat ik februari heb voorgesteld als Fuhrerschein-loze maand.. Dat leek me overkomelijk, qua temperatuur en zo.

Binnenkort is dat twee jaar geleden. In het voorjaar, als de Eifel lokt, zijn mijn strafpunten verjaard. Bevriende Duitse motorrijders hebben me afgeraden om in het weekend te gaan. Door de week wordt er niet gecontroleerd, zeggen ze. Dus ik ga voortaan op vrijdag. Veiliger en goedkoper. Frau Schönewald is dan ook gesloten, lees ik in haar brief. Dan heeft ze ATVau.

Deze column verscheen eerder in MotoPlus 3/2006.