Roberto Formigoni. Onthoud die naam. Niet dat Roberto de definitieve opvolger van Valentino Rossi zal worden, dat zit er niet meer in. Hoeft ook niet. Roberto heeft al een carrière. Roberto Formigoni is president van de Italiaanse regio Lombardije. En in het kader van die functie heeft hij besloten dat het medio 2007 maar eens uit moet zijn met voertuigen die niet voldoen aan de EURO 0-norm. Die mogen in Lombardije niet meer op de weg komen.
Nou kan ik op mijn kaart van Noord-Italië (schaal 1: 400.000) niet precies zien hoe de grenzen van Lombardije lopen, maar Milaan ligt er zo’n beetje midden in. En in Milaan kan het inderdaad best wat minder, qua uitlaatgassen, dus ik begrijp die Roberto wel.
Maar wie voldoen er nou allemaal niet aan de EURO 0-norm? Oudere viertaktmotoren, inderdaad. Maar verder: alle tweetakten. Niet schoon te krijgen, die dingen, dus vooral geschikt voor de minder kieskeurige Aziatische markt. Ja, het is geen toeval dat de Cagiva Mito op de beurs in Milaan voor het eerst te zien was met een 500 cc viertaktblok van Husqvarna!
Betekent dit dan het definitieve begin van het einde van een stuk motorgeschiedenis? Lijkt er wel op. Ik heb in dat kader de foto’s van mijn eerste motor maar eens opgezocht. Yamaha RD 350. Blauw, luchtgekoeld, enkele schijf voor. Gekocht als een 250 met vijf versnellingen, later omgebouwd naar een 350 met zes versnellingen. Kwestie van andere zuigers en cilinders en een palletje van vijf gulden. Maar dat was pas nadat ik het rijbewijs er op had gehaald. Na drie maanden oefenvergunning.
Voor de jongeren onder ons: met een oefenvergunning en een L-plaatje op je motor mocht je maximaal drie maanden rijden zonder rijbewijs. Je moest de vergunning wel iedere maand verlengen bij het politiebureau en je mocht niet buiten de stadsgrenzen komen. Maar als je zoals ik in Amsterdam woonde, kon je toch flink wat afwisselende kilometers maken. Stukje centrum, stukje snelweg, stukje polder, stukje langs de Amstel. Voor een beetje kenner van de hoofdstad bleek Amsterdam een uitgelezen voorbereiding op het rijexamen.
Eén les heb ik genomen, om te weten hoe het was om zo’n man in een auto achter je te hebben. Zo ging dat toen nog. En dan moest je om de paar kilometer stoppen om te horen hoe de route verder ging. Zat ook nog een gemene truc aan vast. Dat die examinator bijvoorbeeld zei dat je na het stoplicht moest stoppen voor de volgende aanwijzingen. En dat daar dan net een stopverbod gold…
Maar toen het roze papiertje eenmaal binnen was, ging ik ook helemaal los op de RD. Eerst werd het een 350, vervolgens kwamen er Koni schokbrekers onder (verplichte kost in die tijd), bronzen bussen voor de ophanging van de achtervork (idem) en als banden een setje TT 100 van Dunlop. Origineel jaren zeventig plakrubber! Het toetje werd gevormd door een K&N luchtfilter en een paar echte J&R expansiepijpen, door een vriend meegenomen uit de Verenigde Staten.
Het heeft nog een dag gekost om daar de juiste maat sproeiers bij te vinden. Dat ging zo: je zette een hele bak sproeiers klaar, draaide op de gok een iets grotere maat dan standaard in de carburateurs en ging dan de snelweg op. Je reed een stukje volgas in de derde of vierde versnelling, trok vervolgens de koppeling in en zette tegelijkertijd de motor af. Op de vluchtstrook draaide je dan de bougies er uit om te kijken of ze de juiste kleur hadden. Koffie-met-melk, als ik me goed herinner. Als dat niet zo was, reed je voorzichtig terug om het met een sproeiermaatje groter (te licht) of kleiner (te donker) opnieuw te proberen. Was dit eenmaal gelukt dan moest je nog een beetje vogelen met de gasnaalden om de gasrespons acceptabel te krijgen. En op vakantie natuurlijk altijd een maatje grotere sproeiers er in draaien, want het is niet de bedoeling dat je in Zuid-Italië bij 35 graden Celsius met een gat in je zuiger komt te staan.
Brengt me weer bij Italië en bij Roberto. Lombardije zou ik met mijn RD 350 van toen dus niet meer door komen. Gaat ook niet meer lukken. Het RD-tje is na drie jaar trouwe dienst (en heftig misbruik) gesneuveld in een bocht bij Abcoude. De gebutste en gedeukte resten heb ik verkocht en vier maanden later reed ik op mijn eerste viertakt. Beter, sneller, moderner. Maar zonder die heerlijke, spannende geur van tweetaktolie. Dat gaan we missen.
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 1/2007
maandag 22 maart 2010
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten