Het einde van het seizoen nadert, dus de dagen worden korter en de schaduwen langer. Wat betekent dat we moeten gaan oppassen voor Zwarte Golfjes! Ik heb daar ervaring mee. Begin oktober staat er bij mij altijd een lang weekend toeren op het programma. Als het mee zit heb je nog lekker weer en lunch je op een terrasje, als het tegen zit kom je thuis met stoere verhalen over drie dagen regen en de eerste sneeuwbui. De keus valt meestal op een heuvelachtig gebied niet te ver weg. Eifel, Westerwald of Ardennen, leuk rijden en goed van eten en drinken. Maar ook voorzien van de reeds genoemde Zwarte Golfjes.
Ik was ditmaal op weg naar een weekendje dat zich zou afspelen in de omgeving van Waxweiler (D), iets ten oosten van de Luxemburgse grens. De nazomer deed zijn best, de terraslunch had ik achter de rug en het laatste stuk van mijn aanrijroute voerde door beboste dalen, langs lieflijk murmelende riviertjes. Op het moment dat ik twee lokale loodgietersbusjes wilde inhalen ging het mis. Een van die lange schaduwen die over de linkerbaan viel, bleek plotseling een Zwart Golfje te bevatten. Net op tijd kon ik nog tussen de twee busjes duiken. Hoewel, niet helemaal net op tijd. De linker koffer raakte het Golfje, maar ik bleef overeind. Na de bekende krachttermen onder de helm zette ik de motor op de eerste parkeerplek langs de kant. Even de schade bekijken, de automobilist zal zo wel komen. De schade viel reuze mee. Het kofferdeksel was blijkbaar ingedeukt, toen gescheurd, maar vervolgens weer keurig in de vorm terug gesprongen. Ha! Eindelijk plezier van die rol klustape, die ik altijd meesleep.
Intussen waren er al diverse auto’s gepasseerd, maar van het Zwarte Golfje geen spoor. Toch maar eens kijken. Dus omgedraaid en een paar kilometer terug gereden. Daar bleek intussen een heuse volksoploop ontstaan te zijn. Ik stopte en vroeg wat er gebeurd was. Ik hield me nog even van de domme, omdat ik eerst de stemming in de menigte wilde peilen. Werd er al een strop om een boomtak gegooid, hoorde ik iemand om pek en veren roepen, werden er fakkels aangestoken? Maar iedereen bleek vooral bezorgd om het grijze omaatje, dat nog natrillend op een bankje naast haar gehavende autootje zat. Wijzend op mijn motorfiets vertelde ik haar dat wij elkaar zojuist al waren tegen gekomen. Om daar meteen aan toe te voegen dat het erg dom van mij was geweest en dat we alles ter plaatse gingen regelen. Dit laatste om te voorkomen dat er politie bij zou komen. Die zou mij ongetwijfeld wegens Fahrerflucht en roekeloos rijden zwaar op de bon slingeren. Dat schijnen ze namelijk te doen, in Duitsland. Rudi Carrell (hij is niet meer) werd enige jaren geleden aangeklaagd wegens Fahrerflucht toen hij in de parkeergarage van het hotel waar hij verbleef tegen een andere auto was aangereden. Zoals het bij ons hoort, deed hij keurig een briefje onder de ruitenwisser met zijn kamernummer, excuses en het verzoek contact op te nemen. Nou, dat vinden ze in Duitsland niet genoeg. Hij had officieel bij de beschadigde auto moeten wachten tot de bestuurder daarvan weer terug zou komen. Desnoods zet je een tent in die parkeergarage en ga je er een week kamperen. Maar wachten zul je!
Gelukkig was mijn bejaarde slachtoffer helemaal blij met het aanbod samen het schadeformulier in te vullen. Of ik het wilde doen, haar handen trilden nog zo. De menigte was inmiddels gerustgesteld afgedropen, ervan overtuigd dat Nederlandse motorrijders weliswaar roekeloos, maar ook buitengewoon beschaafd waren. Samen bekeken we de schade aan het Golfje. Mijn kofferdeksel had behoorlijk huis gehouden. Er zaten krassen over de hele lengte van de auto en flinke deuken in voorspatbord en deur. Net waren we begonnen met invullen van het schadeformulier toen mijn Duitse oma ineens luidkeels “Schätzi! Ganz vergessen!” riep en de achterdeur van de auto open trok. Daar zat de vergeten Schätzi, de bekende kruising tussen terriër, bordercollie en de vuilnisbak van de buurman. Net als zijn bazin nog hevig natrillend van de schok. Schätzi had ook op de achterbank een klein, maar sterk geurend ongelukje gedaan. Van de stress natuurlijk. Na het invullen der papieren namen oma en ik hartelijk afscheid. Ze drukte me nog op het hart het voortaan rustiger aan te doen. Een paar dagen later heb ik haar nog een nazorg-kaart gestuurd. Met Kerst kreeg ik er een terug, samen met een foto van het als-nieuw-strakke-Golfje. Met Schätzi ging het ook goed. Haar darmpjes waren de schok inmiddels geheel te boven.
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 16/2006
zaterdag 27 februari 2010
vrijdag 26 februari 2010
Snelle delen te koop
Dure vering, snelle uitlaat, chip, carbon achterspatbord... Mijn dealer hoefde het bij inruil allemaal niet te hebben. In originele staat wenste hij de inruiler in ontvangst nemen, want dat verkoopt in Nederland beter. Anders denken de mensen maar dat er vreselijk mee geragd is, met die fiets.
Dus bleef ik na de overdracht van mijn nieuwe BMW R1200S zitten met een doos vol snelle onderdelen voor een R1100S. Z.g.a.n. natuurlijk, en alleen door een oud dametje gebruikt om boodschappen mee te doen. Een vriend wilde de Technoflexjes wel hebben en zag ook wat in het achterspatbord. Met de rest ging het richting Marktplaats. En dan leer je de mede-motorrijders weer van een heel andere kant kennen!
Ten eerste blijkt er een flink contingent pingelaars motor te rijden. Het begrip tweedehands maakt in deze jongens een langgekoesterd koopmanschap los. Allerlei keurige huisvaders die er niet over zouden peinzen om bij het benzinestation of bij de Albert Heijn om korting of een litertje extra te zeuren, beginnen hun mailtjes met de vraag of het niet voor de helft kan. Of ze proberen de prijs meteen naar beneden te praten door te wijzen op allerlei verborgen gebreken.
Toen ik een aantal jaren terug een huis ging kopen had ik een vrouwelijke makelaar ingehuurd die daar een meester(es) in was. We waren een beoogde woning nog niet binnen of ze begon nog tijdens de kennismaking met de verkopende makelaar allergisch te snuffelen, gevolgd door de vraag of hij die gronderige lucht ook rook. Of er misschien recent lekkage was geweest. Of was de kelder ondergelopen? De afvoer lek? De eigenaar incontinent? En wat raar dat de verkopende makelaar dat allemaal niet wist. Op dat moment was de vraagprijs al met 20.000 euro gezakt.
Deze vaardigheid heeft de gemiddelde motorpingelaar nog niet onder de knie. Ik kreeg diverse mailtjes waarin me bot werd meegedeeld dat de onderdelen het geld sowieso niet waard waren, gevolgd door het aanbod om me er voor weinig vanaf te helpen. Ze zouden wel in de weg staan. En nee, daar hoefde ik helemaal niets voor te betalen. Er was ook iemand die vroeg of die bruine aanslag op de roestvrijstalen uitlaatbochten roest was. Tja…
Al deze belangstellenden heb ik met genoegen de volgende boodschap terug gemaild: “Motorrijden is een dure hobby. Get used to it!” Vrij naar de film "The long kiss goodnight", u weet wel, met Geena Davis.
Meestal was dit afdoende, de pingelaar is blijkbaar op zoek naar makkelijke slachtoffers.
Verder ben ik tot de conclusie gekomen dat wij, Nederlandse motorrijders, dol zijn op lawaaipijpen. Het aantal reacties op de aangeboden Laser overtrof verre die van potentiële kopers voor de andere spullen. Terwijl de uitlaat zonder de bijbehorende chip niet voor vermogenswinst zorgt. Alleen voor herrie. Lekkere donkere boxerherrie, dat overigens wel. Vooral als je vlak voor een haarspeldbocht terugschakelt en de motor door de uitlaat tegen je hoort praten. Met van die lispelende klappen… Dan lopen de rillingen over je rug!
Komen we bij de laatste categorie mailers. Gelukkig de grootste. Dat zijn de motorrijders die weten waar ze over praten, die weten wat de spullen waard zijn en die het verder gewoon leuk vinden om een digitale boom op te zetten. Met een paar ervan heb ik wel een keer of zes heen en weer gemaild, ook nog toen het spul al aan iemand anders verkocht was. Waarover die mailtjes gingen? De normale onderwerpen natuurlijk. Over Michelin en Metzeler, over Technoflex en Ohlins, over rijden in Friesland versus rijden in het Zwarte Woud, over het nut van een leren zitvlak. Die dingen waar je het altijd met andere motorrijders over hebt.
Ik heb aan de verkoop ook twee echte contacten overgehouden, jongens waarmee ik in het voorjaar een keer een ritje ga maken. Vrouwelijke reacties heb ik overigens niet gehad. Vrouwen houden hun S blijkbaar liever standaard, of ze laten hun vriendje mailen.
Maar alles bij elkaar heb ik aan mijn verkoopactie dus veel meer overgehouden dan een paar honderd euro. Nieuwe rij-maatjes, en een hobby voor komende winter. Als het dan koud en donker is en de motor onder een zeiltje in de garage staat te winterslapen, zet ik gewoon wat advertenties op Marktplaats. Ik denk dat ik het dit keer een beetje in de exotische hoek zoek. Benelli-onderdelen, KTM-vering, een MZ-koppeling, een Buell-uitlaat of zo. Gegarandeerd goed voor nieuwe gesprekken en nieuwe vrienden.
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 14/2006
Dus bleef ik na de overdracht van mijn nieuwe BMW R1200S zitten met een doos vol snelle onderdelen voor een R1100S. Z.g.a.n. natuurlijk, en alleen door een oud dametje gebruikt om boodschappen mee te doen. Een vriend wilde de Technoflexjes wel hebben en zag ook wat in het achterspatbord. Met de rest ging het richting Marktplaats. En dan leer je de mede-motorrijders weer van een heel andere kant kennen!
Ten eerste blijkt er een flink contingent pingelaars motor te rijden. Het begrip tweedehands maakt in deze jongens een langgekoesterd koopmanschap los. Allerlei keurige huisvaders die er niet over zouden peinzen om bij het benzinestation of bij de Albert Heijn om korting of een litertje extra te zeuren, beginnen hun mailtjes met de vraag of het niet voor de helft kan. Of ze proberen de prijs meteen naar beneden te praten door te wijzen op allerlei verborgen gebreken.
Toen ik een aantal jaren terug een huis ging kopen had ik een vrouwelijke makelaar ingehuurd die daar een meester(es) in was. We waren een beoogde woning nog niet binnen of ze begon nog tijdens de kennismaking met de verkopende makelaar allergisch te snuffelen, gevolgd door de vraag of hij die gronderige lucht ook rook. Of er misschien recent lekkage was geweest. Of was de kelder ondergelopen? De afvoer lek? De eigenaar incontinent? En wat raar dat de verkopende makelaar dat allemaal niet wist. Op dat moment was de vraagprijs al met 20.000 euro gezakt.
Deze vaardigheid heeft de gemiddelde motorpingelaar nog niet onder de knie. Ik kreeg diverse mailtjes waarin me bot werd meegedeeld dat de onderdelen het geld sowieso niet waard waren, gevolgd door het aanbod om me er voor weinig vanaf te helpen. Ze zouden wel in de weg staan. En nee, daar hoefde ik helemaal niets voor te betalen. Er was ook iemand die vroeg of die bruine aanslag op de roestvrijstalen uitlaatbochten roest was. Tja…
Al deze belangstellenden heb ik met genoegen de volgende boodschap terug gemaild: “Motorrijden is een dure hobby. Get used to it!” Vrij naar de film "The long kiss goodnight", u weet wel, met Geena Davis.
Meestal was dit afdoende, de pingelaar is blijkbaar op zoek naar makkelijke slachtoffers.
Verder ben ik tot de conclusie gekomen dat wij, Nederlandse motorrijders, dol zijn op lawaaipijpen. Het aantal reacties op de aangeboden Laser overtrof verre die van potentiële kopers voor de andere spullen. Terwijl de uitlaat zonder de bijbehorende chip niet voor vermogenswinst zorgt. Alleen voor herrie. Lekkere donkere boxerherrie, dat overigens wel. Vooral als je vlak voor een haarspeldbocht terugschakelt en de motor door de uitlaat tegen je hoort praten. Met van die lispelende klappen… Dan lopen de rillingen over je rug!
Komen we bij de laatste categorie mailers. Gelukkig de grootste. Dat zijn de motorrijders die weten waar ze over praten, die weten wat de spullen waard zijn en die het verder gewoon leuk vinden om een digitale boom op te zetten. Met een paar ervan heb ik wel een keer of zes heen en weer gemaild, ook nog toen het spul al aan iemand anders verkocht was. Waarover die mailtjes gingen? De normale onderwerpen natuurlijk. Over Michelin en Metzeler, over Technoflex en Ohlins, over rijden in Friesland versus rijden in het Zwarte Woud, over het nut van een leren zitvlak. Die dingen waar je het altijd met andere motorrijders over hebt.
Ik heb aan de verkoop ook twee echte contacten overgehouden, jongens waarmee ik in het voorjaar een keer een ritje ga maken. Vrouwelijke reacties heb ik overigens niet gehad. Vrouwen houden hun S blijkbaar liever standaard, of ze laten hun vriendje mailen.
Maar alles bij elkaar heb ik aan mijn verkoopactie dus veel meer overgehouden dan een paar honderd euro. Nieuwe rij-maatjes, en een hobby voor komende winter. Als het dan koud en donker is en de motor onder een zeiltje in de garage staat te winterslapen, zet ik gewoon wat advertenties op Marktplaats. Ik denk dat ik het dit keer een beetje in de exotische hoek zoek. Benelli-onderdelen, KTM-vering, een MZ-koppeling, een Buell-uitlaat of zo. Gegarandeerd goed voor nieuwe gesprekken en nieuwe vrienden.
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 14/2006
dinsdag 23 februari 2010
Alpenoffensief
Het zit er weer op, het Alpenoffensief 2006. Nog nagenietend citeer ik pas 2 t/m 7 uit de route van dit jaar: Col du Glandon, Col de la Croix de Fer, Col du Telegraphe, Col du Galibier, Col du Lautaret, Col de l’Izoard. Ja, als deze opsomming je nog niet in de stemming brengt, ruil die motor dan maar weer in voor een fijne middenklasser-met-schuifdak.
Tien dagen, 4900 kilometer, ruim zestig passen en een setje Pilot Power heeft het plezier dit jaar geduurd. Samen met een maatje, een tanktas en een tasje met verschoning achterop, heb ik de Alpen van noord naar zuid en van west naar oost doorkruist. Even hebben we de tenen in het water van de Middellandse Zee gestoken (lekker op temperatuur). Vervolgens zijn we na een rondje Dolomieten via Italië en Zwitserland terug gereden. Met het Zwarte Woud als toetje.
De voorbereidingen voor deze bandenverslindende tocht waren al in november begonnen. Om de paniek te bezweren die toeslaat zodra het wintertijd is geworden, ga ik een paar avonden zitten met een tafel vol kaarten. Met een dikke markeerstift kies ik dan de leukste wegen uit. Op basis van kronkeligheid en niveauverschil natuurlijk, want rechtdoor langs de zee rijden kan ook tussen Petten en Kamperduin.
De mix van herinneringen en verwachtingen die zo’n avondje plannen met zich meebrengt, helpt me de winter door. Nog maar even, denk ik dan. Sinterklaas, Kerstmis, Nieuwjaar, met behulp van flink wat Prozac de duisternis van januari doorworstelen en dan is het al februari. Motorbeurzentijd en nog maar een heel kort maandje naar de lente!
De route uitstippelen voelt bijna net zo lekker als het rijden zelf. Er komen herinneringen boven. Aan die bocht waar het achterwiel zelf bedacht waar het heen ging. En dat het toch nog goed afliep. Aan dat hotel op de grens tussen Zwitserland en Italië waar we de enige gasten waren. Aan de tatouage van het beeldschone meisje dat ons bediende op een terras bij Briancon. Zat die nou echt ónder haar navel? Aan die vriendelijke Fransman die voor ons uit reed om een benzinepomp te wijzen. En er wordt beslist waar we zeker weer langs moeten.
Ergens weer terug komen, op basis van vroegere ervaringen maakt het vaak nog leuker. Zo weet ik bijvoorbeeld dat de Telegraphe een echte ochtendpas is, omdat het licht er ‘s morgens zo mooi overheen strijkt. Terwijl je de San Bernardino nooit in één keer moet doen: je moet pauzeren bij dat grote tankstation halverwege. Eet daar lekker een ijsje in de wetenschap dat het mooiste stuk nog moet komen!
Ander vast punt wordt gevormd door Hotel Evaldo (Arabba) in de Dolomieten, voorzien van overdadige keuken, zwembad en vriendelijke masseuse voor de vermoeide schouderpartij.
In dit motorparadijs blijven we altijd een dagje extra. Zo lang het nog leuk is tenminste. Dit jaar schijnt er vanaf september tol geheven te worden op de Stelvio en de Timmelsjoch, volgend jaar is de hele Sella-ronde aan de beurt. Niks meer ongehinderd 256 haarspeldbochten binnen 52 kilometer rijden, maar vier keer stoppen voor een slagboom en dokken! Ach, misschien is ook dit een Berlusconi-overblijfsel dat net als de dreigende inbeslagname bij het rijden met één losse hand weer snel van de baan is. Ik hoop het, want er staat weer een nieuw record op het spel. We zijn dit keer op het dagje Dolomieten tot zestien passen gekomen. Waarbij vermeld moet worden dat we twee keer op de Falzarego zijn geweest, maar wel van verschillende kanten, dus dan telt hij toch!
Voor diegenen die het hier niet meer eens zijn, dit heb ik van John Hermann, de “King of the Alps” himself! Die hebben we namelijk ontmoet, in het hotel. Deze Amerikaan is inmiddels al een stuk in de tachtig, maar voor zijn landgenoten nog steeds dé expert waar het de Alpen betreft. Hij schreef er een boek over met de heldere titel, “Motorcycle Journeys: through the Alps and Corsica”. Sinds 1980 rijdt hij jaarlijks met een groepje vrienden uit de buurt van San Diego over een van “zijn” Alpenroutes. Sommige van deze mannen hebben voor dat doel zelfs een motor bij een dealer in München gestald. Dat hoeven wij niet te doen, want tussen de Randstad en de Alpenpassen liggen een heleboel fijne bochten. Maar het is leuk om te weten dat in zonnig San Diego precies hetzelfde gebeurt, als ik in november in het duister over de kaarten gebogen zit. De lokroep van de Alpen draagt ver…
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 12/2006
Tien dagen, 4900 kilometer, ruim zestig passen en een setje Pilot Power heeft het plezier dit jaar geduurd. Samen met een maatje, een tanktas en een tasje met verschoning achterop, heb ik de Alpen van noord naar zuid en van west naar oost doorkruist. Even hebben we de tenen in het water van de Middellandse Zee gestoken (lekker op temperatuur). Vervolgens zijn we na een rondje Dolomieten via Italië en Zwitserland terug gereden. Met het Zwarte Woud als toetje.
De voorbereidingen voor deze bandenverslindende tocht waren al in november begonnen. Om de paniek te bezweren die toeslaat zodra het wintertijd is geworden, ga ik een paar avonden zitten met een tafel vol kaarten. Met een dikke markeerstift kies ik dan de leukste wegen uit. Op basis van kronkeligheid en niveauverschil natuurlijk, want rechtdoor langs de zee rijden kan ook tussen Petten en Kamperduin.
De mix van herinneringen en verwachtingen die zo’n avondje plannen met zich meebrengt, helpt me de winter door. Nog maar even, denk ik dan. Sinterklaas, Kerstmis, Nieuwjaar, met behulp van flink wat Prozac de duisternis van januari doorworstelen en dan is het al februari. Motorbeurzentijd en nog maar een heel kort maandje naar de lente!
De route uitstippelen voelt bijna net zo lekker als het rijden zelf. Er komen herinneringen boven. Aan die bocht waar het achterwiel zelf bedacht waar het heen ging. En dat het toch nog goed afliep. Aan dat hotel op de grens tussen Zwitserland en Italië waar we de enige gasten waren. Aan de tatouage van het beeldschone meisje dat ons bediende op een terras bij Briancon. Zat die nou echt ónder haar navel? Aan die vriendelijke Fransman die voor ons uit reed om een benzinepomp te wijzen. En er wordt beslist waar we zeker weer langs moeten.
Ergens weer terug komen, op basis van vroegere ervaringen maakt het vaak nog leuker. Zo weet ik bijvoorbeeld dat de Telegraphe een echte ochtendpas is, omdat het licht er ‘s morgens zo mooi overheen strijkt. Terwijl je de San Bernardino nooit in één keer moet doen: je moet pauzeren bij dat grote tankstation halverwege. Eet daar lekker een ijsje in de wetenschap dat het mooiste stuk nog moet komen!
Ander vast punt wordt gevormd door Hotel Evaldo (Arabba) in de Dolomieten, voorzien van overdadige keuken, zwembad en vriendelijke masseuse voor de vermoeide schouderpartij.
In dit motorparadijs blijven we altijd een dagje extra. Zo lang het nog leuk is tenminste. Dit jaar schijnt er vanaf september tol geheven te worden op de Stelvio en de Timmelsjoch, volgend jaar is de hele Sella-ronde aan de beurt. Niks meer ongehinderd 256 haarspeldbochten binnen 52 kilometer rijden, maar vier keer stoppen voor een slagboom en dokken! Ach, misschien is ook dit een Berlusconi-overblijfsel dat net als de dreigende inbeslagname bij het rijden met één losse hand weer snel van de baan is. Ik hoop het, want er staat weer een nieuw record op het spel. We zijn dit keer op het dagje Dolomieten tot zestien passen gekomen. Waarbij vermeld moet worden dat we twee keer op de Falzarego zijn geweest, maar wel van verschillende kanten, dus dan telt hij toch!
Voor diegenen die het hier niet meer eens zijn, dit heb ik van John Hermann, de “King of the Alps” himself! Die hebben we namelijk ontmoet, in het hotel. Deze Amerikaan is inmiddels al een stuk in de tachtig, maar voor zijn landgenoten nog steeds dé expert waar het de Alpen betreft. Hij schreef er een boek over met de heldere titel, “Motorcycle Journeys: through the Alps and Corsica”. Sinds 1980 rijdt hij jaarlijks met een groepje vrienden uit de buurt van San Diego over een van “zijn” Alpenroutes. Sommige van deze mannen hebben voor dat doel zelfs een motor bij een dealer in München gestald. Dat hoeven wij niet te doen, want tussen de Randstad en de Alpenpassen liggen een heleboel fijne bochten. Maar het is leuk om te weten dat in zonnig San Diego precies hetzelfde gebeurt, als ik in november in het duister over de kaarten gebogen zit. De lokroep van de Alpen draagt ver…
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 12/2006
maandag 15 februari 2010
Koffie?
Jarenlang werd mijn auto onderhouden door een dealer waarvan de vervangende leenauto (een oud Visa-tje) altijd erg naar kippenhok rook, vermengd met een zweempje kattenbrokken. Dat was niet zo gek, aangezien deze auto ook gebruikt werd om het voer voor de kippen te halen. De kippen woonden in een hok plus ren achter de garage. Aan de zijkant van de garage stond een oude Deux Chevaux. Daarin woonden de katten, twaalf zwervertjes, die eveneens van voedsel werden voorzien. En op de wei achter de garage liepen de paarden, die door het meisje van de administratie getraind en in wedstrijden gereden werden. Zowel de baas als de monteurs liepen altijd in overall en op klompen. En als ik mijn auto kwam brengen moest ik verplicht onthaasten, want ik kreeg niet meteen koffie. Ik moest even een kwartiertje wachten. Dan kon ik gezellig samen met de monteurs mee koffie drinken. “U hebt toch geen haast? Ga vast zitten, we hebben er ook lekkere spritsen bij”.
Mijn motordealer zat in die tijd midden in de stad, in een pandje op de hoek van een gracht, waar heel vroeger een melkwinkel gevestigd was. Via de ingang stond je direct in de werkplaats, waar de baas of de monteur (niet noodzakelijk, maar wel vaak dezelfde) je eveneens in overall gekleed te woord stond. Na een korte technische uitwisseling over de fiets waaraan hij op dat moment stond te sleutelen, volgde altijd de mededeling “dat ik de koffie wel wist te staan”. Dat was ook zo.
Wat onvermijdelijk leidt tot twee conclusies: a. koffie is de benzine waarop het contact met uw dealer drijft, en b. dat er een heleboel veranderd is.
Want die leuke, kleine dealertjes waar je precies weet wie er aan jouw motor sleutelt, waar je tussen de middag een broodje mee eet of ’s morgens met de mannen koffie drinkt… Die leuke kleine dealertjes verdwijnen in snel tempo. In het kielzog van de autobranche streeft ook de motorwereld naar glaspaleizen langs de snelweg, waar verkopers in dealerhemd-met-opdruk en blinkend schone nagels mij eerst vragen hoe ik geslapen heb en vervolgens hoe ik mijn koffie wil: macchiato, latte of liever een espresso doppio?
Bedrijfstechnisch ongetwijfeld een goede ontwikkeling. Motorrijden is allang niet meer iets voor mensen met een smalle portemonnee of zonderlingen met een technische knobbel. Motorrijden is mainstream, motorrijden is een geaccepteerde hobby voor de middelbare man. Toch mis ik in de showrooms van de glaspaleizen wat de dealer-op-de-hoek en mijn automan-met-kippen zo aantrekkelijk maakt: het directe contact met de mensen die aan mijn eigendom sleutelen. Het gesprek over keerringslijtage, het hoe en waarom dit of dat onderdeel vervangen wordt, de tip om nippeltje A voortaan op boutje B te draaien. Want dat wil ik allemaal weten, en het liefst uit de eerste hand. Is het niet van de monteur, dan wel van een van die andere types, die net als ik op zaterdagochtend zo’n beetje rond de werkplaats hangen.
Stuk voor stuk zijn het mannen met goede verhalen. Vorige week werd me, gebroederlijk starend naar de achterwielophanging van een nieuw model, nog door een bink in campingsmoking meegedeeld dat hij met een voorband veel langer deed dan met zijn achterband. “Voorwiel komt bijna niet aan de grond”, begon hij. “En dat spaart rubber”. Tegen deze redenering kon ik begrijpelijkerwijs niets in brengen. Hij reed nu op een eencylindertje, want hij kwam toch nauwelijks buiten de stad, vertelde hij verder. “Lekker op het achterwiel tussen de rijen voor het stoplicht door”. Bij deze woorden rolde hij nog eens veelbetekenend met zijn tatoeages. De Fireblade had hij weg gedaan, vertrouwde hij me ook nog toe. Sinds hij in de Coentunnel met zijn vrouw achterop, bij 200 km per uur een wheelie had getrokken en vrouwlief bijna met de helm het asfalt had geraakt, wilde ze toch niet meer achterop. Ik mompelde wat meelevends richting zijn vrouw. Kon me bij haar standpunt ook wel iets voorstellen.
Hij monsterde het nieuwe model, een BMW met riemaandrijving achter. Verleidelijk, begreep ik, maar hij vroeg zich af of de riem de krachten die hij gewoon was op het achterwiel los te laten, wel zou houden. Hij zag zich waarschijnlijk al met de flarden zitten, halverwege de Coentunnel. En dan moet je zo’n fiets toch een flink eind omhoog duwen. Dit beeld maakte indruk, want het gesprek viel even stil.
We namen nog maar eens een kopje koffie van de dealer. Roodmerk en een beetje zurig, niks espresso of macchiato. Maar voorlopig wel het lekkerst….
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 10/2006.
Mijn motordealer zat in die tijd midden in de stad, in een pandje op de hoek van een gracht, waar heel vroeger een melkwinkel gevestigd was. Via de ingang stond je direct in de werkplaats, waar de baas of de monteur (niet noodzakelijk, maar wel vaak dezelfde) je eveneens in overall gekleed te woord stond. Na een korte technische uitwisseling over de fiets waaraan hij op dat moment stond te sleutelen, volgde altijd de mededeling “dat ik de koffie wel wist te staan”. Dat was ook zo.
Wat onvermijdelijk leidt tot twee conclusies: a. koffie is de benzine waarop het contact met uw dealer drijft, en b. dat er een heleboel veranderd is.
Want die leuke, kleine dealertjes waar je precies weet wie er aan jouw motor sleutelt, waar je tussen de middag een broodje mee eet of ’s morgens met de mannen koffie drinkt… Die leuke kleine dealertjes verdwijnen in snel tempo. In het kielzog van de autobranche streeft ook de motorwereld naar glaspaleizen langs de snelweg, waar verkopers in dealerhemd-met-opdruk en blinkend schone nagels mij eerst vragen hoe ik geslapen heb en vervolgens hoe ik mijn koffie wil: macchiato, latte of liever een espresso doppio?
Bedrijfstechnisch ongetwijfeld een goede ontwikkeling. Motorrijden is allang niet meer iets voor mensen met een smalle portemonnee of zonderlingen met een technische knobbel. Motorrijden is mainstream, motorrijden is een geaccepteerde hobby voor de middelbare man. Toch mis ik in de showrooms van de glaspaleizen wat de dealer-op-de-hoek en mijn automan-met-kippen zo aantrekkelijk maakt: het directe contact met de mensen die aan mijn eigendom sleutelen. Het gesprek over keerringslijtage, het hoe en waarom dit of dat onderdeel vervangen wordt, de tip om nippeltje A voortaan op boutje B te draaien. Want dat wil ik allemaal weten, en het liefst uit de eerste hand. Is het niet van de monteur, dan wel van een van die andere types, die net als ik op zaterdagochtend zo’n beetje rond de werkplaats hangen.
Stuk voor stuk zijn het mannen met goede verhalen. Vorige week werd me, gebroederlijk starend naar de achterwielophanging van een nieuw model, nog door een bink in campingsmoking meegedeeld dat hij met een voorband veel langer deed dan met zijn achterband. “Voorwiel komt bijna niet aan de grond”, begon hij. “En dat spaart rubber”. Tegen deze redenering kon ik begrijpelijkerwijs niets in brengen. Hij reed nu op een eencylindertje, want hij kwam toch nauwelijks buiten de stad, vertelde hij verder. “Lekker op het achterwiel tussen de rijen voor het stoplicht door”. Bij deze woorden rolde hij nog eens veelbetekenend met zijn tatoeages. De Fireblade had hij weg gedaan, vertrouwde hij me ook nog toe. Sinds hij in de Coentunnel met zijn vrouw achterop, bij 200 km per uur een wheelie had getrokken en vrouwlief bijna met de helm het asfalt had geraakt, wilde ze toch niet meer achterop. Ik mompelde wat meelevends richting zijn vrouw. Kon me bij haar standpunt ook wel iets voorstellen.
Hij monsterde het nieuwe model, een BMW met riemaandrijving achter. Verleidelijk, begreep ik, maar hij vroeg zich af of de riem de krachten die hij gewoon was op het achterwiel los te laten, wel zou houden. Hij zag zich waarschijnlijk al met de flarden zitten, halverwege de Coentunnel. En dan moet je zo’n fiets toch een flink eind omhoog duwen. Dit beeld maakte indruk, want het gesprek viel even stil.
We namen nog maar eens een kopje koffie van de dealer. Roodmerk en een beetje zurig, niks espresso of macchiato. Maar voorlopig wel het lekkerst….
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 10/2006.
zaterdag 13 februari 2010
Schuivertje
Net terug van de dealer. Gisteren schuivertje gemaakt in de Ardennen. Belgische auto die zomaar overstak, nog bezig met schelden, gas erop en vervolgens iets te dicht op de motor voor me die rechtsaf ging. Ineens. (Ja, volgens mij dan, want natuurlijk gewoon stom.) Hard geremd, mooi toch dat ABS, maar wel nog even de afslaande Honda aangetikt en zo schuin over het stuur diverse kuipdelen tegen het asfalt gevleid.
Na het uitvloeken kwam al snel de berusting. Het is niet de eerste keer. En het zal vast nog wel eens gebeuren. En als het gebeurt zoals gisteren, met wat materiele schade en een deuk in het ego, dan is het geen ramp.
Natuurlijk hou ik tegenover buitenstaanders vol dat het nooit aan mij ligt. Die blinde Belg, het duin dat ineens midden op de weg staat (heus, dat doen duinen!), plassen olie op de ideale lijn (halfsyntheet, dus extra glad), automobilisten die hun deur opendoen als je tussen de files door rijdt. Ik mag er graag over vertellen en ik heb ze allemaal al eens de schuld gegeven. Er zijn echter ook een paar valpartijtjes die ik liever geheel verzwijg, maar misschien kunt u er nog iets van opsteken. En denk nu niet dat ik er elke week naast lig, maar in dertig jaar motorrijden verzamel je nu eenmaal een keur aan interessante ervaringen.
Ten eerste de stilstaande val. Tamelijk risicoloos, maar stóm, niet te geloven! Net zoals doelpunten uit spelhervattingen zal het wel iets met verslapte concentratie te maken hebben. Het ergste is als deze val zich voor de eigen garage afspeelt. Zo heb ik mijn voet daar wel eens naast de stoep gezet, terwijl de motor er nog op stond. En o, dat tergend langzame onvermijdelijke neerleggen. En dat je meteen begint te rekenen: kleppendeksel vervangen € 100, krassen in tank spuiten, toch gauw € 200 etc. Blijf dan maar eens cool kijken, in de wetenschap dat al je buren achter hun gordijnen proberen een acute lachstuip te bedwingen.
Van deze val ken ik uit eigen ervaring ook de bospad-na-het-plassen variant. De jongens waar ik mee aan het rijden was, waren al weer weg, dus ik draai vlot de weg op en zie die modderige plas waar het achterwiel in staat over het hoofd. Gas erop, pirouette draaien en… Kleppendeksel vervangen € 90, kras in tank… Nou ja, u snapt het wel.
Maar dit zinkt allemaal in het niet bij de allerergste: de toeristenval. Zo een waarvan je altijd denkt, dat het alleen maar Duitsers overkomt die op vakantie een motor huren op vertoon van hun autorijbewijs. Als verzachtende omstandigheid wil ik aanvoeren dat het gebeurde in een drie jaar durende motorloze periode. Mijn zoon was nog klein en het motorbenzinegeld moest ik noodgedwongen investeren in luiers, wandelwagentjes en nachtvoedingen. Maar na twee weken gezinsvakantie op Kreta vond ik dat ik de vaderlijke zorgtaken afdoende had ingevuld. En leek het ook de echtgenote goed voor ons huwelijk als ik de dagelijkse gang hotel-strand-hotel-strand-hotel even verruilde voor drie dagen op een gehuurde XT 250. Omdat er bij de verhuur glazig werd gekeken toen ik in mijn beste Grieks naar een helm vroeg, had ik een T-shirt stevig om mijn hoofd gewonden. Ja, zeg maar niks, ik weet het! Het is nooit meer gebeurd, sindsdien ga ik naar de bakker nog volledig in het leer. Ik tik zelfs dit stukje met motorhandschoenen aan, maar toen… Motorhitsigheid in zijn ergste vorm.
De derde dag sloeg het onvermijdelijke noodlot toe, in de vorm van een plastic buis die over een pad langs zee lag. De XT stuiterde richting het water, waar twee vissers net hun bootje aanlegden. Zij tuurden vervolgens strak naar het wateroppervlak, ervan overtuigd dat de berijder kopje onder was gegaan. Dat was niet zo. Ik lag aan de andere kant van het pad en probeerde met het t-shirt mijn bloedende onderarm te stelpen. Kwam het shirt toch nog van pas! Achter op de brommer van de buurman ging het richting ziekenhuis. Dat bleek een spiksplinternieuwe kliniek aan het eind van een geitenpad, waar de wond door een chirurg in opleiding (ja, ik trof het weer!) prachtig gehecht werd. Gratis en voor niks. Alleen werd tijdens het hechten door de arts en drie lokale geitenhoeders dwars over mij heen opgewonden over de verkiezingen van de volgende dag gediscussieerd. En ging er een fles ouzo rond. Die de dokter oversloeg, gelukkig.
Er komt trouwens net een mailtje van de dealer binnen. Schuivertje heeft z’n best gedaan. Ruitje, kleppendeksel, richtingaanwijzer, hulpframe, diverse kuipdelen… Dat wordt morgen met de verzekering bellen. Met Pinksteren moet alles er dan weer op zitten. Laat ik er meteen een setje nieuwe banden onder gooien. En zal ik meer afstand houden. Beloofd.
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 8/2006
Na het uitvloeken kwam al snel de berusting. Het is niet de eerste keer. En het zal vast nog wel eens gebeuren. En als het gebeurt zoals gisteren, met wat materiele schade en een deuk in het ego, dan is het geen ramp.
Natuurlijk hou ik tegenover buitenstaanders vol dat het nooit aan mij ligt. Die blinde Belg, het duin dat ineens midden op de weg staat (heus, dat doen duinen!), plassen olie op de ideale lijn (halfsyntheet, dus extra glad), automobilisten die hun deur opendoen als je tussen de files door rijdt. Ik mag er graag over vertellen en ik heb ze allemaal al eens de schuld gegeven. Er zijn echter ook een paar valpartijtjes die ik liever geheel verzwijg, maar misschien kunt u er nog iets van opsteken. En denk nu niet dat ik er elke week naast lig, maar in dertig jaar motorrijden verzamel je nu eenmaal een keur aan interessante ervaringen.
Ten eerste de stilstaande val. Tamelijk risicoloos, maar stóm, niet te geloven! Net zoals doelpunten uit spelhervattingen zal het wel iets met verslapte concentratie te maken hebben. Het ergste is als deze val zich voor de eigen garage afspeelt. Zo heb ik mijn voet daar wel eens naast de stoep gezet, terwijl de motor er nog op stond. En o, dat tergend langzame onvermijdelijke neerleggen. En dat je meteen begint te rekenen: kleppendeksel vervangen € 100, krassen in tank spuiten, toch gauw € 200 etc. Blijf dan maar eens cool kijken, in de wetenschap dat al je buren achter hun gordijnen proberen een acute lachstuip te bedwingen.
Van deze val ken ik uit eigen ervaring ook de bospad-na-het-plassen variant. De jongens waar ik mee aan het rijden was, waren al weer weg, dus ik draai vlot de weg op en zie die modderige plas waar het achterwiel in staat over het hoofd. Gas erop, pirouette draaien en… Kleppendeksel vervangen € 90, kras in tank… Nou ja, u snapt het wel.
Maar dit zinkt allemaal in het niet bij de allerergste: de toeristenval. Zo een waarvan je altijd denkt, dat het alleen maar Duitsers overkomt die op vakantie een motor huren op vertoon van hun autorijbewijs. Als verzachtende omstandigheid wil ik aanvoeren dat het gebeurde in een drie jaar durende motorloze periode. Mijn zoon was nog klein en het motorbenzinegeld moest ik noodgedwongen investeren in luiers, wandelwagentjes en nachtvoedingen. Maar na twee weken gezinsvakantie op Kreta vond ik dat ik de vaderlijke zorgtaken afdoende had ingevuld. En leek het ook de echtgenote goed voor ons huwelijk als ik de dagelijkse gang hotel-strand-hotel-strand-hotel even verruilde voor drie dagen op een gehuurde XT 250. Omdat er bij de verhuur glazig werd gekeken toen ik in mijn beste Grieks naar een helm vroeg, had ik een T-shirt stevig om mijn hoofd gewonden. Ja, zeg maar niks, ik weet het! Het is nooit meer gebeurd, sindsdien ga ik naar de bakker nog volledig in het leer. Ik tik zelfs dit stukje met motorhandschoenen aan, maar toen… Motorhitsigheid in zijn ergste vorm.
De derde dag sloeg het onvermijdelijke noodlot toe, in de vorm van een plastic buis die over een pad langs zee lag. De XT stuiterde richting het water, waar twee vissers net hun bootje aanlegden. Zij tuurden vervolgens strak naar het wateroppervlak, ervan overtuigd dat de berijder kopje onder was gegaan. Dat was niet zo. Ik lag aan de andere kant van het pad en probeerde met het t-shirt mijn bloedende onderarm te stelpen. Kwam het shirt toch nog van pas! Achter op de brommer van de buurman ging het richting ziekenhuis. Dat bleek een spiksplinternieuwe kliniek aan het eind van een geitenpad, waar de wond door een chirurg in opleiding (ja, ik trof het weer!) prachtig gehecht werd. Gratis en voor niks. Alleen werd tijdens het hechten door de arts en drie lokale geitenhoeders dwars over mij heen opgewonden over de verkiezingen van de volgende dag gediscussieerd. En ging er een fles ouzo rond. Die de dokter oversloeg, gelukkig.
Er komt trouwens net een mailtje van de dealer binnen. Schuivertje heeft z’n best gedaan. Ruitje, kleppendeksel, richtingaanwijzer, hulpframe, diverse kuipdelen… Dat wordt morgen met de verzekering bellen. Met Pinksteren moet alles er dan weer op zitten. Laat ik er meteen een setje nieuwe banden onder gooien. En zal ik meer afstand houden. Beloofd.
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 8/2006
vrijdag 12 februari 2010
Dikke Peter
In voor- en najaar maak ik samen met vier of vijf vrienden een lang weekend lang het Zwarte Woud onveilig. Nou ja, vrienden… Eigenlijk zie ik het merendeel van deze mannen maar twee, soms drie keer per jaar. En dan nog het grootste deel van de tijd met een helm op. Maar samen rijden verbroedert snel.
De route en het programma liggen grotendeels vast. We vertrekken vrijdagochtend tegen zeven uur vanuit St. Willibrord. In deze gemeente wordt per hoofd van de bevolking de meeste chloor verkocht, naar het schijnt. Willibrorders houden niet van natuur, dus ze betegelen hun voortuin en schrobben die regelmatig met chloor blinkend schoon en grasvrij.
Rond het middaguur stoppen we bij het eerste tankstation in Luxemburg en duiken vervolgens, na nog zo’n honderd kilometer snelweg, de Vogezen in. Die worden in de lengte doorkruist, onder andere via de Route des Crêtes. Dit gaat allemaal in een tamelijk illegaal tempo. Noodzakelijk, omdat we voor donker nog over de Ballon d’Alsace willen (voor het echte berggevoel) en daarna het stroomgebied van de Rijn moeten oversteken, richting Duitsland. Daar aangekomen is het duister meestal gevallen, zodat we min of meer op de tast ons eenvoudige overnachtingsadres in de buurt van Todtmoos bereiken. € 9 per nacht, inclusief ontbijt! Waar vind je dat nog? Moet je wel zelf je slaapzak meenemen.
Na de hartelijke ontvangst door Lutz, een soort uitgegroeide Schwarzwaldkabouter met ADHD, en de bekende fles witte wijn, wachten de Goulashsuppe en de Holzfällersteak (ook deel van het vaste programma). Zaterdag vermeldt het programma wederom heel veel bochten, onderbroken door een koffiestop voor een punt Schwarzwalder Kirschtorte. Zondag rest de terugweg, zoveel mogelijk binnendoor.
Tot zover niks nieuws en voor veel motorrijders een bekend recept. Iedereen heeft waarschijnlijk zo z’n adresjes, fijne routes en vaste motormaatjes. Maar of iemand ooit een dagje achter Dikke Peter heeft aangereden? Ik waag het betwijfelen. Dikke Peter was er namelijk ineens, vorig voorjaar, ’s morgens bij het ontbijt. Een kennis van een kennis die wel eens op een treffen viavia, nou ja, zo’n vage bekende dus. Peter komt uit het noorden van Duitsland en rijdt net als ik en mijn vaste motormaatje een BMW R1100S. Dat schept een band, want je hebt meteen gespreksonderwerpen in overvloed. “Benzingespräche”, zoals de Oosterburen dat noemen. Over hoe lang hij met een achterband doet. 3000 kilometer? Tja, da’s niet echt veel. En dat zijn moeder het maar een gevaarlijke hobby vindt, dat motorrijden. Peter woont namelijk, ondanks zijn 43 jaar, nog steeds thuis. Vanuit het ouderlijk huis bestiert hij zijn eenmansbedrijfje in belastingadviezen en accountancy. En dat gaat hem goed af, mede dankzij mama’s hulp. Als een klant bij Peter op bezoek komt, zorgt zijn moeder namelijk voor de koffie, altijd met een stukje zelfgebakken appeltaart erbij. Gemütliche klantenbinding. Ja, daar kunnen die grote onpersoonlijke bureau’s niet tegen op. Alleen is Peter door de goede zorgen van zijn moeder langzaam maar zeker behoorlijk aan het dichtgroeien.
Peters garage is in de loop der jaren eveneens goed gevuld geraakt. Hij heeft een Audi Quattro, de al genoemde BMW en ook nog een Honda SP-1, zo’n straatlegale superbikeracer.
Of hij een stukje met ons mee mocht rijden, vroeg hij tijdens het Zwartewoud-ontbijt. Tuurlijk, gezellig, sluit maar aan. Ging ook helemaal goed, die ochtend. Peter kon het flinke tempo makkelijk bijbenen. Bij de koffie (mét punt) stelde hij voor een stukje voorop te rijden. Hij kende het gebied goed, hoefde niet op de kaart te kijken en hij wist nog wel een paar leuke weggetjes. Goed plan, dachten we toen nog. Later niet meer. Want eenmaal voorop ging Peter volledig los. Zoals alle Duitsers reed hij in de dorpen keurig 50. Zoals maar weinig Duitsers reed hij tussen de dorpen 180! Op kronkelige tweebaanswegen, vol onoverzichtelijke bochten!
Ja, dan gaat er toch wat door je heen. Doe ik dit wel, doe ik dit niet? Kan ik dit wel of durf ik dit niet? En kan ik dit wel máken? Maar ja, ik laat me toch niet losrijden door een zwaarlijvige middelbare accountant?
Met de adrenaline nog stijf achter de oogballen stopten we bij een terrasje voor de lunch. Onverstoorbaar werkte Peter een stapel broodjes naar binnen. Hij stapte maar eens op, zei hij, want hij had haast. Hij moest nog naar huis, in de buurt van Hamburg. Op zondag kookte zijn moeder altijd zijn lievelingsgerecht, iets lokaals met varkenspootjes. En hij wilde voor het eten thuis zijn. Anders werd het lieve mens maar ongerust.
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 5/2006
De route en het programma liggen grotendeels vast. We vertrekken vrijdagochtend tegen zeven uur vanuit St. Willibrord. In deze gemeente wordt per hoofd van de bevolking de meeste chloor verkocht, naar het schijnt. Willibrorders houden niet van natuur, dus ze betegelen hun voortuin en schrobben die regelmatig met chloor blinkend schoon en grasvrij.
Rond het middaguur stoppen we bij het eerste tankstation in Luxemburg en duiken vervolgens, na nog zo’n honderd kilometer snelweg, de Vogezen in. Die worden in de lengte doorkruist, onder andere via de Route des Crêtes. Dit gaat allemaal in een tamelijk illegaal tempo. Noodzakelijk, omdat we voor donker nog over de Ballon d’Alsace willen (voor het echte berggevoel) en daarna het stroomgebied van de Rijn moeten oversteken, richting Duitsland. Daar aangekomen is het duister meestal gevallen, zodat we min of meer op de tast ons eenvoudige overnachtingsadres in de buurt van Todtmoos bereiken. € 9 per nacht, inclusief ontbijt! Waar vind je dat nog? Moet je wel zelf je slaapzak meenemen.
Na de hartelijke ontvangst door Lutz, een soort uitgegroeide Schwarzwaldkabouter met ADHD, en de bekende fles witte wijn, wachten de Goulashsuppe en de Holzfällersteak (ook deel van het vaste programma). Zaterdag vermeldt het programma wederom heel veel bochten, onderbroken door een koffiestop voor een punt Schwarzwalder Kirschtorte. Zondag rest de terugweg, zoveel mogelijk binnendoor.
Tot zover niks nieuws en voor veel motorrijders een bekend recept. Iedereen heeft waarschijnlijk zo z’n adresjes, fijne routes en vaste motormaatjes. Maar of iemand ooit een dagje achter Dikke Peter heeft aangereden? Ik waag het betwijfelen. Dikke Peter was er namelijk ineens, vorig voorjaar, ’s morgens bij het ontbijt. Een kennis van een kennis die wel eens op een treffen viavia, nou ja, zo’n vage bekende dus. Peter komt uit het noorden van Duitsland en rijdt net als ik en mijn vaste motormaatje een BMW R1100S. Dat schept een band, want je hebt meteen gespreksonderwerpen in overvloed. “Benzingespräche”, zoals de Oosterburen dat noemen. Over hoe lang hij met een achterband doet. 3000 kilometer? Tja, da’s niet echt veel. En dat zijn moeder het maar een gevaarlijke hobby vindt, dat motorrijden. Peter woont namelijk, ondanks zijn 43 jaar, nog steeds thuis. Vanuit het ouderlijk huis bestiert hij zijn eenmansbedrijfje in belastingadviezen en accountancy. En dat gaat hem goed af, mede dankzij mama’s hulp. Als een klant bij Peter op bezoek komt, zorgt zijn moeder namelijk voor de koffie, altijd met een stukje zelfgebakken appeltaart erbij. Gemütliche klantenbinding. Ja, daar kunnen die grote onpersoonlijke bureau’s niet tegen op. Alleen is Peter door de goede zorgen van zijn moeder langzaam maar zeker behoorlijk aan het dichtgroeien.
Peters garage is in de loop der jaren eveneens goed gevuld geraakt. Hij heeft een Audi Quattro, de al genoemde BMW en ook nog een Honda SP-1, zo’n straatlegale superbikeracer.
Of hij een stukje met ons mee mocht rijden, vroeg hij tijdens het Zwartewoud-ontbijt. Tuurlijk, gezellig, sluit maar aan. Ging ook helemaal goed, die ochtend. Peter kon het flinke tempo makkelijk bijbenen. Bij de koffie (mét punt) stelde hij voor een stukje voorop te rijden. Hij kende het gebied goed, hoefde niet op de kaart te kijken en hij wist nog wel een paar leuke weggetjes. Goed plan, dachten we toen nog. Later niet meer. Want eenmaal voorop ging Peter volledig los. Zoals alle Duitsers reed hij in de dorpen keurig 50. Zoals maar weinig Duitsers reed hij tussen de dorpen 180! Op kronkelige tweebaanswegen, vol onoverzichtelijke bochten!
Ja, dan gaat er toch wat door je heen. Doe ik dit wel, doe ik dit niet? Kan ik dit wel of durf ik dit niet? En kan ik dit wel máken? Maar ja, ik laat me toch niet losrijden door een zwaarlijvige middelbare accountant?
Met de adrenaline nog stijf achter de oogballen stopten we bij een terrasje voor de lunch. Onverstoorbaar werkte Peter een stapel broodjes naar binnen. Hij stapte maar eens op, zei hij, want hij had haast. Hij moest nog naar huis, in de buurt van Hamburg. Op zondag kookte zijn moeder altijd zijn lievelingsgerecht, iets lokaals met varkenspootjes. En hij wilde voor het eten thuis zijn. Anders werd het lieve mens maar ongerust.
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 5/2006
Frau Schönewald
Het schijnt er aan te komen, het puntenrijbewijs. Samen met nog meer drempels, rekeningrijden, cameratoezicht en 80-km zones. Onderdelen van een pakket maatregelen die het op de weg misschien veiliger, maar niet leuker maken. En ik hoef helemaal geen puntenrijbewijs, want ik heb al strafpunten! Zelf gescoord, in Duitsland, bij Frau Schönewald.
Twee jaar terug, aan het eind van die lange warme zomer, toen ik nog even rubber ging opbranden in de Eifel. Het was op zaterdag, eind september, briljant weer. Ik was voor mijn doen zeer vroeg opgestaan, zat al om zeven uur op de motor en voor half negen aan de koffie, bij de AC bij Weert. Dan is het nog maar een klein stukje snelweg, vervolgens hop, binnendoor, puntje België pakken en voilà, je bent midden in het Eifelse bochtenparadijs. Vossenack, Schmidt, Heimbach, here I come. Nog even rustig door Vossenack sukkelen, tussen de “Denk an unser Kinder” en “Rasen ist out” borden door en dan gas erop. De eerste Eifelbocht, links, rechts, doordraaier, boswachters… Boswachters? En wat doen ze midden op de weg? Mij tot stoppen dwingen, dat was duidelijk. En het feit dat Duitse politieagenten er nog steeds als boswachters uitzien, schijnt zo bepaald te zijn na 1945. Een groot deel van Europa had toen minder prettige associaties bij het zien van een Duitser in blauw of zwart uniform.
Of ik rechtsonder wilde tekenen, 105 km p/u in een 50 km zone, buiten het dorp. En graag cash afrekenen, € 170. Een pinautomaat? In het dorp, dus weer terug rijden en dan tegenover de kerk. De heren zijn zo vriendelijk om zich intussen over mijn rijbewijs te ontfermen. En als ik terugkom? Ja, wel 50 rijden, anders beginnen we weer van voren af aan.
Na het afhandelen van de administratie vlucht ik richting België, angstvallig 10 km onder de aangegeven snelheid rijdend. Twee weken later valt een brief uit Düren op de mat. Van de lokale officier van Justitie, Frau Schönewald. Ik heb vier strafpunten gekregen en een maand rijverbod! Maar omdat het mijn eerste keer is, is ze genadig en mag ik zelf aangeven wanneer het rijverbod in gaat. Binnen de komende vier maanden, dat wel. O ja, en of ik dan wel mijn rijbewijs wil aanbieden om het verbod op aan te tekenen.
Veel gesurfd op het net, want allerlei vragen. Neemt Nederland zo’n rijverbod bijvoorbeeld over? Nee, gold alleen voor Duitsland. Houden ze je rijbewijs een maand vast? Gelukkig niet, als je het komt brengen, mag je het meteen weer meenemen, maar ze gaan er wel Duitse tekst en stempels in zetten. Vooral het laatste lijkt me erg vervelend. Stel, ik word binnen onze landsgrenzen een keer geflitst met een fors te hoge snelheid (is nog niet gebeurd, maar wat niet is…), dan is het moeilijk vol te houden dat ik een oude dame hielp met de boodschappen en dat ik helemaal niet wist dat-ie in z’n één zo hard ging! Zeker niet als in mijn rijbewijs al een Einmonatiges Fahrverbot vermeld staat.
Gelukkig komt er hulp. Uit Burundi, Somalië, Birma en Pakistan. Landen die samen met Duitsland het internationale rijbewijs erkennen. Je weet wel, dat kartonnen boekje dat je voor € 13 bij de ANWB haalt. Als enige lid van de EU ziet Duitsland dit stukje ANWB-huisvlijt nog voor vol aan. Dus heb ik geïnvesteerd. In pasfoto’s, internationaal rijbewijs, en in aangetekend verzenden naar Düren. En in een fraaie brief in het Duits (hoop ik) aan Frau Schönewald, die Blonde van de Bussgeldstelle.
Binnen een week heb ik de papieren weer terug. Frau Schönewald heeft hoogstpersoonlijk mijn Verbotsfrist (want zo heet dat) ingeschreven en er een mooi stempel bij gezet. Ze heeft een rond handschrift, Frau Schönewald, en je kunt zien dat ze graag hoofdletters schrijft, vooral de B. En ze vind het goed, Frau Schönewald, dat ik februari heb voorgesteld als Fuhrerschein-loze maand.. Dat leek me overkomelijk, qua temperatuur en zo.
Binnenkort is dat twee jaar geleden. In het voorjaar, als de Eifel lokt, zijn mijn strafpunten verjaard. Bevriende Duitse motorrijders hebben me afgeraden om in het weekend te gaan. Door de week wordt er niet gecontroleerd, zeggen ze. Dus ik ga voortaan op vrijdag. Veiliger en goedkoper. Frau Schönewald is dan ook gesloten, lees ik in haar brief. Dan heeft ze ATVau.
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 3/2006.
Twee jaar terug, aan het eind van die lange warme zomer, toen ik nog even rubber ging opbranden in de Eifel. Het was op zaterdag, eind september, briljant weer. Ik was voor mijn doen zeer vroeg opgestaan, zat al om zeven uur op de motor en voor half negen aan de koffie, bij de AC bij Weert. Dan is het nog maar een klein stukje snelweg, vervolgens hop, binnendoor, puntje België pakken en voilà, je bent midden in het Eifelse bochtenparadijs. Vossenack, Schmidt, Heimbach, here I come. Nog even rustig door Vossenack sukkelen, tussen de “Denk an unser Kinder” en “Rasen ist out” borden door en dan gas erop. De eerste Eifelbocht, links, rechts, doordraaier, boswachters… Boswachters? En wat doen ze midden op de weg? Mij tot stoppen dwingen, dat was duidelijk. En het feit dat Duitse politieagenten er nog steeds als boswachters uitzien, schijnt zo bepaald te zijn na 1945. Een groot deel van Europa had toen minder prettige associaties bij het zien van een Duitser in blauw of zwart uniform.
Of ik rechtsonder wilde tekenen, 105 km p/u in een 50 km zone, buiten het dorp. En graag cash afrekenen, € 170. Een pinautomaat? In het dorp, dus weer terug rijden en dan tegenover de kerk. De heren zijn zo vriendelijk om zich intussen over mijn rijbewijs te ontfermen. En als ik terugkom? Ja, wel 50 rijden, anders beginnen we weer van voren af aan.
Na het afhandelen van de administratie vlucht ik richting België, angstvallig 10 km onder de aangegeven snelheid rijdend. Twee weken later valt een brief uit Düren op de mat. Van de lokale officier van Justitie, Frau Schönewald. Ik heb vier strafpunten gekregen en een maand rijverbod! Maar omdat het mijn eerste keer is, is ze genadig en mag ik zelf aangeven wanneer het rijverbod in gaat. Binnen de komende vier maanden, dat wel. O ja, en of ik dan wel mijn rijbewijs wil aanbieden om het verbod op aan te tekenen.
Veel gesurfd op het net, want allerlei vragen. Neemt Nederland zo’n rijverbod bijvoorbeeld over? Nee, gold alleen voor Duitsland. Houden ze je rijbewijs een maand vast? Gelukkig niet, als je het komt brengen, mag je het meteen weer meenemen, maar ze gaan er wel Duitse tekst en stempels in zetten. Vooral het laatste lijkt me erg vervelend. Stel, ik word binnen onze landsgrenzen een keer geflitst met een fors te hoge snelheid (is nog niet gebeurd, maar wat niet is…), dan is het moeilijk vol te houden dat ik een oude dame hielp met de boodschappen en dat ik helemaal niet wist dat-ie in z’n één zo hard ging! Zeker niet als in mijn rijbewijs al een Einmonatiges Fahrverbot vermeld staat.
Gelukkig komt er hulp. Uit Burundi, Somalië, Birma en Pakistan. Landen die samen met Duitsland het internationale rijbewijs erkennen. Je weet wel, dat kartonnen boekje dat je voor € 13 bij de ANWB haalt. Als enige lid van de EU ziet Duitsland dit stukje ANWB-huisvlijt nog voor vol aan. Dus heb ik geïnvesteerd. In pasfoto’s, internationaal rijbewijs, en in aangetekend verzenden naar Düren. En in een fraaie brief in het Duits (hoop ik) aan Frau Schönewald, die Blonde van de Bussgeldstelle.
Binnen een week heb ik de papieren weer terug. Frau Schönewald heeft hoogstpersoonlijk mijn Verbotsfrist (want zo heet dat) ingeschreven en er een mooi stempel bij gezet. Ze heeft een rond handschrift, Frau Schönewald, en je kunt zien dat ze graag hoofdletters schrijft, vooral de B. En ze vind het goed, Frau Schönewald, dat ik februari heb voorgesteld als Fuhrerschein-loze maand.. Dat leek me overkomelijk, qua temperatuur en zo.
Binnenkort is dat twee jaar geleden. In het voorjaar, als de Eifel lokt, zijn mijn strafpunten verjaard. Bevriende Duitse motorrijders hebben me afgeraden om in het weekend te gaan. Door de week wordt er niet gecontroleerd, zeggen ze. Dus ik ga voortaan op vrijdag. Veiliger en goedkoper. Frau Schönewald is dan ook gesloten, lees ik in haar brief. Dan heeft ze ATVau.
Deze column verscheen eerder in MotoPlus 3/2006.
Abonneren op:
Posts (Atom)
