maandag 15 februari 2010

Koffie?

Jarenlang werd mijn auto onderhouden door een dealer waarvan de vervangende leenauto (een oud Visa-tje) altijd erg naar kippenhok rook, vermengd met een zweempje kattenbrokken. Dat was niet zo gek, aangezien deze auto ook gebruikt werd om het voer voor de kippen te halen. De kippen woonden in een hok plus ren achter de garage. Aan de zijkant van de garage stond een oude Deux Chevaux. Daarin woonden de katten, twaalf zwervertjes, die eveneens van voedsel werden voorzien. En op de wei achter de garage liepen de paarden, die door het meisje van de administratie getraind en in wedstrijden gereden werden. Zowel de baas als de monteurs liepen altijd in overall en op klompen. En als ik mijn auto kwam brengen moest ik verplicht onthaasten, want ik kreeg niet meteen koffie. Ik moest even een kwartiertje wachten. Dan kon ik gezellig samen met de monteurs mee koffie drinken. “U hebt toch geen haast? Ga vast zitten, we hebben er ook lekkere spritsen bij”.

Mijn motordealer zat in die tijd midden in de stad, in een pandje op de hoek van een gracht, waar heel vroeger een melkwinkel gevestigd was. Via de ingang stond je direct in de werkplaats, waar de baas of de monteur (niet noodzakelijk, maar wel vaak dezelfde) je eveneens in overall gekleed te woord stond. Na een korte technische uitwisseling over de fiets waaraan hij op dat moment stond te sleutelen, volgde altijd de mededeling “dat ik de koffie wel wist te staan”. Dat was ook zo.
Wat onvermijdelijk leidt tot twee conclusies: a. koffie is de benzine waarop het contact met uw dealer drijft, en b. dat er een heleboel veranderd is.
Want die leuke, kleine dealertjes waar je precies weet wie er aan jouw motor sleutelt, waar je tussen de middag een broodje mee eet of ’s morgens met de mannen koffie drinkt… Die leuke kleine dealertjes verdwijnen in snel tempo. In het kielzog van de autobranche streeft ook de motorwereld naar glaspaleizen langs de snelweg, waar verkopers in dealerhemd-met-opdruk en blinkend schone nagels mij eerst vragen hoe ik geslapen heb en vervolgens hoe ik mijn koffie wil: macchiato, latte of liever een espresso doppio?

Bedrijfstechnisch ongetwijfeld een goede ontwikkeling. Motorrijden is allang niet meer iets voor mensen met een smalle portemonnee of zonderlingen met een technische knobbel. Motorrijden is mainstream, motorrijden is een geaccepteerde hobby voor de middelbare man. Toch mis ik in de showrooms van de glaspaleizen wat de dealer-op-de-hoek en mijn automan-met-kippen zo aantrekkelijk maakt: het directe contact met de mensen die aan mijn eigendom sleutelen. Het gesprek over keerringslijtage, het hoe en waarom dit of dat onderdeel vervangen wordt, de tip om nippeltje A voortaan op boutje B te draaien. Want dat wil ik allemaal weten, en het liefst uit de eerste hand. Is het niet van de monteur, dan wel van een van die andere types, die net als ik op zaterdagochtend zo’n beetje rond de werkplaats hangen.

Stuk voor stuk zijn het mannen met goede verhalen. Vorige week werd me, gebroederlijk starend naar de achterwielophanging van een nieuw model, nog door een bink in campingsmoking meegedeeld dat hij met een voorband veel langer deed dan met zijn achterband. “Voorwiel komt bijna niet aan de grond”, begon hij. “En dat spaart rubber”. Tegen deze redenering kon ik begrijpelijkerwijs niets in brengen. Hij reed nu op een eencylindertje, want hij kwam toch nauwelijks buiten de stad, vertelde hij verder. “Lekker op het achterwiel tussen de rijen voor het stoplicht door”. Bij deze woorden rolde hij nog eens veelbetekenend met zijn tatoeages. De Fireblade had hij weg gedaan, vertrouwde hij me ook nog toe. Sinds hij in de Coentunnel met zijn vrouw achterop, bij 200 km per uur een wheelie had getrokken en vrouwlief bijna met de helm het asfalt had geraakt, wilde ze toch niet meer achterop. Ik mompelde wat meelevends richting zijn vrouw. Kon me bij haar standpunt ook wel iets voorstellen.

Hij monsterde het nieuwe model, een BMW met riemaandrijving achter. Verleidelijk, begreep ik, maar hij vroeg zich af of de riem de krachten die hij gewoon was op het achterwiel los te laten, wel zou houden. Hij zag zich waarschijnlijk al met de flarden zitten, halverwege de Coentunnel. En dan moet je zo’n fiets toch een flink eind omhoog duwen. Dit beeld maakte indruk, want het gesprek viel even stil.
We namen nog maar eens een kopje koffie van de dealer. Roodmerk en een beetje zurig, niks espresso of macchiato. Maar voorlopig wel het lekkerst….

Deze column verscheen eerder in MotoPlus 10/2006.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten