vrijdag 12 februari 2010

Dikke Peter

In voor- en najaar maak ik samen met vier of vijf vrienden een lang weekend lang het Zwarte Woud onveilig. Nou ja, vrienden… Eigenlijk zie ik het merendeel van deze mannen maar twee, soms drie keer per jaar. En dan nog het grootste deel van de tijd met een helm op. Maar samen rijden verbroedert snel.
De route en het programma liggen grotendeels vast. We vertrekken vrijdagochtend tegen zeven uur vanuit St. Willibrord. In deze gemeente wordt per hoofd van de bevolking de meeste chloor verkocht, naar het schijnt. Willibrorders houden niet van natuur, dus ze betegelen hun voortuin en schrobben die regelmatig met chloor blinkend schoon en grasvrij.

Rond het middaguur stoppen we bij het eerste tankstation in Luxemburg en duiken vervolgens, na nog zo’n honderd kilometer snelweg, de Vogezen in. Die worden in de lengte doorkruist, onder andere via de Route des Crêtes. Dit gaat allemaal in een tamelijk illegaal tempo. Noodzakelijk, omdat we voor donker nog over de Ballon d’Alsace willen (voor het echte berggevoel) en daarna het stroomgebied van de Rijn moeten oversteken, richting Duitsland. Daar aangekomen is het duister meestal gevallen, zodat we min of meer op de tast ons eenvoudige overnachtingsadres in de buurt van Todtmoos bereiken. € 9 per nacht, inclusief ontbijt! Waar vind je dat nog? Moet je wel zelf je slaapzak meenemen.

Na de hartelijke ontvangst door Lutz, een soort uitgegroeide Schwarzwaldkabouter met ADHD, en de bekende fles witte wijn, wachten de Goulashsuppe en de Holzfällersteak (ook deel van het vaste programma). Zaterdag vermeldt het programma wederom heel veel bochten, onderbroken door een koffiestop voor een punt Schwarzwalder Kirschtorte. Zondag rest de terugweg, zoveel mogelijk binnendoor.

Tot zover niks nieuws en voor veel motorrijders een bekend recept. Iedereen heeft waarschijnlijk zo z’n adresjes, fijne routes en vaste motormaatjes. Maar of iemand ooit een dagje achter Dikke Peter heeft aangereden? Ik waag het betwijfelen. Dikke Peter was er namelijk ineens, vorig voorjaar, ’s morgens bij het ontbijt. Een kennis van een kennis die wel eens op een treffen viavia, nou ja, zo’n vage bekende dus. Peter komt uit het noorden van Duitsland en rijdt net als ik en mijn vaste motormaatje een BMW R1100S. Dat schept een band, want je hebt meteen gespreksonderwerpen in overvloed. “Benzingespräche”, zoals de Oosterburen dat noemen. Over hoe lang hij met een achterband doet. 3000 kilometer? Tja, da’s niet echt veel. En dat zijn moeder het maar een gevaarlijke hobby vindt, dat motorrijden. Peter woont namelijk, ondanks zijn 43 jaar, nog steeds thuis. Vanuit het ouderlijk huis bestiert hij zijn eenmansbedrijfje in belastingadviezen en accountancy. En dat gaat hem goed af, mede dankzij mama’s hulp. Als een klant bij Peter op bezoek komt, zorgt zijn moeder namelijk voor de koffie, altijd met een stukje zelfgebakken appeltaart erbij. Gemütliche klantenbinding. Ja, daar kunnen die grote onpersoonlijke bureau’s niet tegen op. Alleen is Peter door de goede zorgen van zijn moeder langzaam maar zeker behoorlijk aan het dichtgroeien.
Peters garage is in de loop der jaren eveneens goed gevuld geraakt. Hij heeft een Audi Quattro, de al genoemde BMW en ook nog een Honda SP-1, zo’n straatlegale superbikeracer.

Of hij een stukje met ons mee mocht rijden, vroeg hij tijdens het Zwartewoud-ontbijt. Tuurlijk, gezellig, sluit maar aan. Ging ook helemaal goed, die ochtend. Peter kon het flinke tempo makkelijk bijbenen. Bij de koffie (mét punt) stelde hij voor een stukje voorop te rijden. Hij kende het gebied goed, hoefde niet op de kaart te kijken en hij wist nog wel een paar leuke weggetjes. Goed plan, dachten we toen nog. Later niet meer. Want eenmaal voorop ging Peter volledig los. Zoals alle Duitsers reed hij in de dorpen keurig 50. Zoals maar weinig Duitsers reed hij tussen de dorpen 180! Op kronkelige tweebaanswegen, vol onoverzichtelijke bochten!
Ja, dan gaat er toch wat door je heen. Doe ik dit wel, doe ik dit niet? Kan ik dit wel of durf ik dit niet? En kan ik dit wel máken? Maar ja, ik laat me toch niet losrijden door een zwaarlijvige middelbare accountant?

Met de adrenaline nog stijf achter de oogballen stopten we bij een terrasje voor de lunch. Onverstoorbaar werkte Peter een stapel broodjes naar binnen. Hij stapte maar eens op, zei hij, want hij had haast. Hij moest nog naar huis, in de buurt van Hamburg. Op zondag kookte zijn moeder altijd zijn lievelingsgerecht, iets lokaals met varkenspootjes. En hij wilde voor het eten thuis zijn. Anders werd het lieve mens maar ongerust.

Deze column verscheen eerder in MotoPlus 5/2006

Geen opmerkingen:

Een reactie posten